Oudewater ligt  aan de monding van het riviertje de Lange Linschoten en de Hollandse Ijsel.
Dit maakt het een een stad die in de historie onlosmakelijk met water verbonden is en nog steeds is.

Oudewater was een stad met veel scheepvaart. Veerdiensten gingen naar Amsterdam, Rotterdam, Gouda, Schoonhoven, Woerden, Utrecht, Vlaardingen en Den Haag. De vrachtschepen voerden hennep aan voor de touwindustrie en brachten het geslagen garen naar de grote lijnbanen in Amsterdam en Rotterdam.

De schepen legden aan langs de Hollandse IJssel, maar ook aan de Linschoten.
Dit bracht de nodige bedrijvigheid in de stad, het herbergbezoek ( ander water!) was beduidend.

 

De scheepswerf bij de Goudse Boom

 

In 1585 werd IJsselveere bij Oudewater gevoegd. Dit ‘nieuwe’ stukje Oudewater ontwikkelde zich al heel snel tot een industriewijk. Er werd een tweede korenmolen gebouwd, er waren twee brouwerijen, twee smidses, twee grutterijen en een oliemolen. En bij de Goudse Boom, de walbrug over de Hollandse IJssel, was een scheepswerf.

In 1610 werd Cornelis Pieterssen schipmaecker genoemd in het doopboek bij de doop van zijn dochtertje. In 1612 werd hij genoemd door het stadsbestuur omdat er een straat gemaakt moest worden aan de zuidzijde van de Hollandse IJssel van de ‘Isulbrugge’ naar de wal bij de ‘Goudsche brugge’. Cornelis overleed in 1636. Pieter Cornelis Eynthoven nam de scheepswerf over en na hem waren Jan Willemsen Vermij en Dirck Pieters van Wijngaerden hier scheepsbouwers. In 1679 nam Dirck Pieters van Wijngaerden de scheepswerf in Haastrecht over en  kocht Pieter van Steyn de scheepswerf in Oudewater.

Pieter van Steijn was ruim dertig jaar actief als scheepsbouwer. Hij liet een aantal verbeteringen aanbrengen aan de werf, zoals een smeerhelling en een gangpad. De Hollandse IJssel is geen brede rivier: de werf heeft dus een dwarshelling gehad, evenwijdig aan het water. In deze periode worden ook een aantal scheepstypes genoemd die op de scheepswerf werden gebouwd, zoals een ‘seven korff schuytje’, een ‘snebbeschuyt’ en een ‘Gouwenaer’. Toch was het bedrijf bij de verkoop in 1711 maar 250 gulden waard. Willem Pieters van Steijn, die in 1709 met zijn vader als scheepmaker genoemd werd, durfde het kennelijk niet aan om het bedrijf voort te zetten.

De nieuwe eigenaar was Jacob Pieterse Ottoland, scheepsbouwer uit Benschop. Het is niet duidelijk of hij zich in Oudewater heeft gevestigd: al in 1713 verkocht hij het bedrijf aan Matthijs Kelder, die in het poorterboek van Oudewater genoemd als ‘scheepmaker van zijn hantwerck, geboortig en van Benschop’. Ook Matthijs Kelder bouwde onder andere ‘snebbeschuyten’. Een ‘snebbeschuyt’ is een schip met een vooruitspringende voorsteven, een ‘snebbe’ of ‘snavel’.

Kelder overleed in 1737. Zijn zoon en dochter waren nog minderjarig in deze tijd en uiteindelijk zou zijn zoon een stoffenwinkel in de Wijdstraat beginnen. Ook in die tijd was het echt geen regel dat de zoon in het beroep van de vader opvolgde! De nieuwe eigenaar van de scheepswerf was Abraham van Leeuwen. Hij betaalde 1215 gulden en 15 stuivers voor de werf, een recordbedrag. Na hem waren achereenvolgens Hendrik Slingerland en diens zoon Teunis Slingerland eigenaar van de scheepswerf. De werf bleef veel waard: bij de verkoop in 1774 wordt een bedrag van duizend gulden genoemd. Ook de omzetten lijken goed te zijn geweest. Een pannebakkerspraam werd geleverd voor 225 gulden en in 1794 was Pieter Toor, de marktschipper op Dordrecht en Schiedam, aan Teunis Slingerland 1200 gulden schuldig voor reparatie aan zijn schuit.

In 1789 werden langs de West-IJsselkade barakken gebouwd om de ingekwartierde soldaten zelfstandig onder te brengen. Voor de bouw werd een rij huizen gesloopt, maar de scheepswerf bleef bestaan, in ieder geval tot na 1808. De Oudewaterse tekenaar en fotograaf Everhard Rahms tekende rond 1855 de gevelsteen van het pand met de afbeelding van een bijl, zoals dat heel gebruikelijk was voor een scheepswerf. Hij tekende daarbij aan: 'IJssel naast de barak, vroeger scheepmakerij'. Uit de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels van het kadaster blijkt dat de gebouwen in 1832 eigendom waren van 'fabrikeur' Michiel van Vliet. Op foto's van Rahms is de dwarshelling van de scheepswerf nog te zien, schuin aflopend naar het water. Pas in 1880, toen op dit terrein de olieslagerij van Brinkers werd gebouwd, moet de IJsselkade zijn opgetrokken. De gevelsteen is bewaard gebleven.

Na de opheffing van de scheepswerf bij de Goudse boom bleek kennelijk al snel dat Oudewater een scheepswerf niet goed kon missen, al was het alleen maar voor het onderhoud van de schepen van de beurtschippers. Rond 1850 begon Hendrik Stofberg aan de zuidzijde van IJsselveere een scheepswerf, in de bedrijfsgebouwen van de voormalige brouwerij 'het Wapen van Haarlem', die voordien korte tijd als stroopfabriek waren gebruikt. Deze scheepswerf heeft tot ca. 1920 bestaan.

 

literatuur:

Nettie Stoppelenburg, ‘De oude scheepswerf van Oudewater’, in: Heemtijdinghen, 2011.

 

De scheepswerf van Stofberg

 

In 1786 werd ene Cornelis Stofberg in Mijdrecht genoemd als ‘baas scheepmaker’. In 1793 werd hij eigenaar van de scheepswerf in Mijdrecht. Van hem stamt een geslacht van scheepsbouwers waarvan een tak zich in Oudewater vestigde.

 Rond 1849 kwam Hendrik Stofberg, de kleinzoon van Cornelis, met zijn jonge gezin naar Oudewater. Hij huurde het terrein van de oude brouwerij ‘Het Wapen van Haerlem’, waar in de laatste decennia een stroopfabriek gevestigd was geweest. In die tijd lag de ‘Utrechtse boom’ daar nog, de walbrug over de IJssel die in 1857 zou worden afgebroken. In 1852 kwam zijn broer Gijsbert bij hem op de werf werken. De zaken liepen goed: in 1864 werd de werf eigendom van Hendrik en zijn vrouw.

 Op de werf werden schepen voor de beurtvaart gebouwd. De Oudewaterse schippers Snelleman, De Ruwe en Fritschij waren vaste klanten. Zo kocht Jilles Fritschij op 23 juli 1869 een ‘overdekte pakschuit … zijnde groot 20 tonnen met al deszelfs staan en lopend want, zeiltreil en ankers en verdere ameublement, alsmede het paard met tuigen … voor twee duizend tweehonderd gulden’. Maar niet alleen schippers konden bij Stofberg terecht, ook boeren waren klant. Iedere boer had minstens één schouw om melk, vee en hooi te vervoeren. Stofberg ging zelfs bij de boeren langs om reparaties uit te voeren.

In 1879 overleed Hendrik Stofberg, 62 jaar oud. Zijn weduwe, Geertruida Stofberg-Griffioen, zette de zaak voort onder de naam ‘firma wed. H. Stofberg, IJzeren- en Houten Scheepsbouw, Oudewater’. Haar zonen Arie, Jan en Adrianus werkten op de werf. In deze tijd werd de stalen aak ‘De Vriendenvrucht’ gebouwd voor Jan van Dam. Toen Geertruida in 1893 stierf, namen haar drie zonen de werf over.

In 1913 wilde Jan Stofberg uit de firma stappen. Er werd daarom een inventarisatie van het bedrijf opgemaakt. Het woonhuis met loods, erf en grond ingericht tot scheepsmakerij en scheepshelling werd getaxeerd op 4500 gulden. Gereedschappen en werktuigen, de voorraad hout en ijzer en andere materialen werd getaxeerd op 408 gulden. Jan wilde er niet voor niets mee stoppen. De beurtveren waren opgeheven en het wegverkeer werd steeds belangrijker. De wegen werden verbeterd. Goederen werden ook per trein vervoerd. De klantenkring voor de scheepswerf werd dus steeds kleiner.Uiteindelijk werd de scheepswerf in Oudewater dan ook opgeheven, na een bestaan van ongeveer 70 jaar.

 literatuur:

Henk Dessens en A. Kaashoek-Van den Brink, ‘Van Turfbok tot Lemsteraak: tweehonderd jaar Scheepswerf Stofberg; 1793-1993’, in: Spiegel der Zeilvaart 1993.

 

 

Beurtveren

 

De zestiende eeuw was de tijd waarin beurtveren werden ingesteld en trekvaarten werden gegraven. Beurtveren waren schepen die regelmatige diensten onderhielden tussen twee of meer steden. Ook in Oudewater werden in deze tijd beurtveren ingesteld om de touwproductie te vervoeren naar de steden waarmee gehandeld werd. Rond Oudewater was al veel water, maar er werd toch één stukje trekvaart gegraven: de Pijpenvliet. Dit water liep naar de vaart bij de Damweg en zo kon via Polsbroek naar Schoonhoven worden gevaren.

Vanaf Oudewater gingen er veerdiensten naar Amsterdam, Schiedam-Vlaardingen-Maassluis, Rotterdam, Delfshaven-Delft-’s-Gravenhage, Leiden, Gouda, Dordrecht, Woerden, Utrecht – en Schoonhoven. Er werd veel gevaren met trekschuiten. Een trekschuit werd over het water voortgetrokken door een paard of een mens. Ook vrouwen en kinderen werden wel in het tuig gespannen om de jaaglijn te trekken. Langs de Hollandse IJssel zijn nog steeds jaagpaden te vinden.

Er was de nodige regelgeving voor de schippers. Allereerst was er een 'genera­le ordonnan­tie' (een algemene verordening), die voor alle schippers gold. Veel regels waren nogal voor de hand liggend, zoals regel nummer 1: 'In den eersten sullen alle de schippers ende hare knechts den passagiers in alle vriende­lijck ende ge­diensticheijt bejege­nen: Ende dieselve soowel in het uyt, als naer huys rey­sen, met goede plaet­sen accom­moderen, ende ten spoedich­sten soo haere doen­lijck sij, over­voeren.' De schippers moesten dus vriendelijk zijn voor de passagiers en zo snel mogelijk varen. Andere regels waren erg praktisch gericht, zoals: wat te doen bij ziekte van een schipper. Naast de ‘generale ordonnantie’ waren er ook ordonnanties voor de schippers van de verschillende beurtveren.

De schuit naar Amsterdam was erg belangrijk, omdat de Amsterdamse Kamer van de Oost-indische Compagnie een belangrijke klant was. Deze schuit vertrok op woensdag en zondag ’s middags als de klok één uur sloeg vanaf het Amsterdamse Veer. Waar nu het perkje is, was toen de aanlegkade. Tot Polanen moest de schuit gejaagd worden omdat de Lange Linschoten te bochtig is. De Noord-Linschoterzandweg fungeerde als jaagpad voor de schuiten naar Amsterdam en naar Woerden. Tegenwoordig staan er wilgen langs het water maar dat was vroeger niet zo. De schuit mocht een half uurtje stoppen bij het blokhuis bij Polanen, nog vóór Woerden. Daar mochten de passagiers dan wat drinken en eten. Vanaf Polanen mocht er ook worden gezeild. De schuit mocht zelfs bij slecht weer niet in Woerden overnachten. De schuit mocht ook nog een keertje stoppen bij Wilnis, maar verder niet, anders duurde de reis veel te lang. Het duurde tenslotte al ruim een dag. In Amsterdam legde de schuit aan bij het Rokin. Behalve dat de schuit schijven garen uit Oudewater naar Amsterdam bracht, bracht zij ook Baltische hennep naar Oudewater. Soms moest er zoveel vervoerd worden, dat de schuit extra moest varen. In principe waren er altijd twee schepen nodig voor een beurtveer.

De marktschippers fungeerden ook als postboden: zij waren verantwoordelijk voor de bezorging van pakjes en brieven die aan hen werden meegegeven. Zo droeg Gerrit Breda in de achttiende eeuw zorg voor de correspondentie tussen het stadsbestuur en baljuw Gaspar Rudolph van Kinschot, die in Delft woonde. Ook de briefwisseling tussen de stadsarchitect Johannes de Jong en Van Kinschot ging via Gerrit Breda. Gijsbert van der Lee, schipper op Amsterdam, bracht in 1777 nieuwe ijzeren leuningen voor de Varkensbrug mee.

Het veer naar Amsterdam werd in de zeventiende eeuw uitgevoerd met een snebbeschuit. Een snebbeschuit - ook wel Rijnschuit genoemd - was een schuit met een hellende, smal toelopende voorsteven. Dit type schepen werd ook in Oudewater gebouwd.

In het waterrijke westen van Nederland was een schip het beste vervoermiddel. Tot in de negentiende eeuw stonden de veerdien­sten vermeld in de almanakken. Toen zorgde de verbetering van het wegennet voor de opkomst van de postkoet­sen. De trein en de auto waren de genadeslag voor de beurtveren.

Tekst : Nettie Stoppelenburg

 

De overstroming van 1726

 

In de nacht van 21 januari 1726 brak de Lekdijk door op twee plaatsen: bij de Steenplaats ten westen van Schoon­hoven en bij Willige Langerak. Het kwam niet onverwachts: bij de Steenplaats werd al urenlang gewerkt om de dijk te versterken. Het water stroomde zowel de Krimpenerwaard als de Lopikerwaard in. Ook de IJsseldijk brak tussen Oudewater en Montfoort. Op 17 februari begon het water te zakken, maar de storm van twee dagen later joeg het water zo op, dat veel boerderijen in de overstroomde polders schade opliepen. In deze tijd waren nog veel boerderijen van leem en vlechtwerk gebouwd en dat is tijdens een overstro­ming niet erg stabiel. De Alblasserwaard, de Krimpenerwaard, de Lopikerwaard, de Snelrewaard, Papekop: alles stond onder water.

Bij de Broeckerpoort in Oudewater stroomde het water over de IJsseldijk de gracht in. Het water bleef maandenlang staan. In februari vroeg het stadsbestuur toestemming aan de opzichter van de fortificatiën om de ‘zijlen’, in feite de watergangen van de stedesloot, waar die in de gracht uitkwamen te mogen afdammen om verdere wateroverlast in de stad te voorkomen. In juli waren de boeren van Papekop en Diemerbroek nog bezig het water te lozen. Het stadsbestuur van Oudewater liet kades verhogen en verstevigen.

Ook Snelrewaard en Zuid-Linschoten stonden maandenlang onder water. Een overstroming heeft altijd vervelende gevolgen. Zo groeit in weilanden die onder water hebben gestaan heermoes en de melk van koeien die heermoes eten, is ongeschikt voor kaasproductie. Dat blijkt ook uit boedelinventarissen van boerderijen in de Snelrewaard. Voor 1726 werden in een boedelinventaris die in de winter was opgemaakt 85 kazen vermeld, terwijl in een boedelinventaris van januari 1727 slechts 10 kazen staan vermeld.

De overstroming volgde op een periode van veepest, waardoor de boeren hun reserves al kwijt waren. Uit één pachtcontract blijkt, dat het land in de loop van 1726 nog zo drassig was, dat het eigenlijk niet gebruikt kon worden. Het gevolg was dat veel boeren aan het eind van 1726 of in één van de volgende jaren in de financiële problemen kwamen. Pachtboeren konden hun pacht niet voldoen, boeren die hun bedrijf in eigendom hadden, leenden geld van rijke burgers in Oudewater.

Als de pachtschuld 1000 gulden of meer bedroeg, eiste de pachtheer in principe het vee, de oogst, het bouwgereedschap en soms ook de inboedel van de woning als onderpand. Soms volgde een veiling, soms was de pachtheer of pachtvrouwe coulant en schold een deel van de schuld kwijt. De opsommingen van vee en have geven wel een kijkje in het boerenbedrijf van toen. Het waren relatief kleine bedrijfjes: 10-15 melkkoeien was al heel wat, daarnaast was er jong vee en elke boer had wel 1-3 paarden. Iedereen had kaasvaten, kaasplanken en staren, dus op elke boerderij werd kaas gemaakt.

De gevolgen waren ook jaren later nog merkbaar. Sommige boeren begonnen met het vetweiden van vee of namen aan om melkvee van burgers in hun weiland te laten weiden met als vergoeding de melk. Ook dit soort noodsprongen kon niet altijd een faillissement voorkomen.

De overlevering wil dat de boerderij ‘Watersnood’ in Hoenkoop zijn naam kreeg bij de herbouw na de overstro­ming van 1726. Er was in ieder geval veel schade in Hoenkoop.

Tekst: Nettie Stoppelenburg

 

De rivier de Lange Linschoten

 

Voor het begin van de jaartelling was het stroomgebied van de Lange Linschoten een veenmoeras in de delta van de Rijn. De Lange Linschoten was een deel van de rivier die we nu kennen als de Hollandse IJssel. Vanaf de plek waar nu Oudewater ligt, kronkelde de rivier naar het noorden. Vanaf de plek waar nu het dorp Linschoten ligt, kronkelde de rivier weer naar het zuiden: over deze oude bedding ligt nu de Reinaldaweg. Langs de rivier vormden zich oeverwallen en stroomruggen. Kort na het begin van de jaartelling vormde zich een nieuwe rivierloop: het stuk Hollandse IJssel tussen Oudewater en Montfoort. Op de stroomrug tussen de Hollandse IJssel en het Oude Water ontstond later Oudewater. In feite is de Linschoten dus het Oude Water van Oudewater.

Oudewater werd gebouwd op een hoge oeverwal aan de noordzijde van de Lange Linschoten maar buiten de dijken. In de elfde en twaalfde eeuw werden dijken aangelegd langs de rivieren. De oude naam voor de ontginning ten noorden van de Lange Linschoten was ‘Tinoudewater’. Die naam kan waarschijnlijk verklaard worden als ‘in het bedijkte deel van het oude water’. Tegenwoordig spreken we van ‘Noortsyde’.

Het gebied rond Oudewater, Woerden en Montfoort maakte in de vroege middeleeuwen deel uit van het Sticht, het gebied waarover de bisschop van Utrecht landsheer was. De Utrechtse kapittels van de Dom en Oudmunster hadden veel eigendommen in dit gebied. De bisschop en de kapittels gaven cope-contracten uit voor de ontginning van de moerassen.

In de twaalfde eeuw werd het gebied aan weerszijden van de Lange Linschoten ontgonnen. De achtergrens van de ontginningen aan de noordzijde volgt de bochten van de rivier. De achtergrens van de ontginningen aan de zuidzijde wordt gevormd door de Middenwetering, een water dat waarschijnlijk oorspronkelijk ook een rivierloopje is geweest. De Middenwetering scheidt de zuidzijde van de Lange Linschoten van de Snelrewaard, die in dezelfde tijd en mogelijk als onderdeel van dezelfde cope is ontgonnen.

De naam ‘Linschoten’ werd in de twaalfde eeuw gespeld als ‘Lindescote’. ‘Scote’ betekent een hoge hoek land temidden van laag veenland, ‘Linde’ verwijst naar alle waarschijnlijkheid naar de lindeboom.

Langs de Linschoten zijn geen uiterwaarden: de dijken liggen direct langs de rivier. De boerderijen zijn dus allemaal binnendijks gebouwd. Sommige boerderijen liggen wat verder van de dijk af. Zij zijn gebouwd op een oude stroomrug.

Tekst: Nettie Stoppelenburg

 

Oudewater en het Groot-Waterschap Woerden

 In de elfde en twaalfde eeuw werden dijken aangelegd langs de rivieren. Willeskop en Papekop werden in de elfde eeuw ontgonnen. Hoenkoop wordt voor het eerst genoemd in 1122. ‘Lindescote’ werd in de twaalfde eeuw ontgonnen. Snelrewaard is in dezelfde tijd ontgonnen en mogelijk als onderdeel van dezelfde cope als Zuid-Linschoten. Diemerbroek – gezien de naam een moerassig gebied – werd in de twaalfde eeuw ontgonnen. Lange Weide en Ruige Weide zijn pas na 1250 ontgonnen. Op de ontginningen werd graan verbouwd. Dit graan werd verkocht aan de steden en zo konden de nieuwe steden in Holland en Utrecht groeien. Maar de veengrond begon al snel in te klinken met het gevaar dat de grond te nat zou worden voor de verbouw van van graan. Er moest dus water afgevoerde worden uit de polders. Bovendien waren de polders ook niet helemaal veilig omdat de dijken voortdurend onderhoud nodig hadden.

 Op 21 december 1163 teisterde een stormvloed de kust van Holland. Door de enorme kracht van de wind werd het water in de Oude Rijn bij Katwijk teruggedreven in de river. Op de Oude Rijn loosden de polders van het graafschap Holland en het bisdom Utrecht hun water. Het veenwater kon door de storm niet meer afvloeien naar de zee en de ontginningen liepen één voor één onder water, eerst in Holland en vervolgens ook in Utrecht. Het duurde lang voordat het water in de polders daalde. In deze tijd kon ook geen nieuw land worden ontgonnen.

 In een poging hun eigen land droog te krijgen, blokkeerden de Hollanders het Utrechtse water door een dam in de Oude Rijn op de grens van Holland en Utrecht: de Zwammerdam. Maar de Utrechtse polders konden zo niet meer afwateren. Bisschop Govert van Rhenen bracht de zaak in 1165 voor het keizerlijk gerecht. In zijn verdediging wees graaf Floris III van Holland erop dat de bisschop ook een dam had aangelegd bij Wijk bij Duurstede om wateroverlast in zijn eigen gebied tegen te gaan. De graven van Gelre en Kleef, die overlast ondervonden van de dam bij Wijk, ondersteunden de graaf van Holland. Maar keizer Frederik Barbarossa ging niet overstag: de Zwammerdam moest worden opgeruimd en de dam bij Wijk mocht blijven. Of de Zwammerdam echt werd afgebroken, is niet zeker. Rond 1200 werd een sluis aangelegd in een dam op deze plaats.

 Het werd de graaf van Holland en de bisschop van Utrecht wel duidelijk dat de wateroverlast niet op lokaal niveau kon worden opgelost. In 1226 sloten de Utrechtse bisschop Otto van Lippe en graaf Floris IV van Holland een verdrag over de waterlozing. De graaf liet zeven uitwaterende sluizen bouwen in de Wendeldijk aan de zuidkant van het Leidse meer. De Utrechters kregen drie van die sluizen in onderhoud en mochten hun water daar lozen. De Utrechtse belanghebbenden in deze waterlozing verenigden zich in waterschappen. Zo zou ook het Grootwaterschap Woerden ontstaan. Het oudst bekende privilege van het Grootwaterschap Woerden dateert uit 1322. Dit privilege, waarin graaf Willem III aan de baljuw van Woerden opdracht gaf om vijf heemraden te kiezen en aan deze heemraden autoriteit verleende, wordt wel gezien als de oprichtingsakte van het Grootwaterschap. Waarschijnlijk bestond het Grootwaterschap al eerder en werd in 1322 het bestuur formeel geregeld. Dat was niet overbodig: in 1322 braken zowel de Lekdijk als de IJsseldijk door. Het gebied van het Grootwaterschap werd niet gedefiniëerd, maar het belangrijkste criterium was, dat de polders van het Grootwaterschap afwaterden op de Rijn.  Omdat het grondgebied van het Grootwaterschap deels in Utrecht lag, bepaalde graaf Albrecht in 1395 dat twee van de vijf heemraden uit het Sticht afkomstig moesten zijn. De taken van het Grootwaterschap waren het onderhouden van weteringen en rivieren om de waterstroom de verbeteren en het onderhoud van dijken en sluizen.

 In 1366 vond een belangrijke wijziging in de afwatering plaats: er werd nu meer geloosd op de Hollandse IJssel. Daarvoor werd de Lange Linschoten uitgediept en verbreed, de Korte Linschoten werd gegraven. In Oudewater werd een nieuwe sluis gebouwd. Al in 1334 wordt gesproken van de sluis in de stad Oudewater. In 1367 werd deze sluis in de Lange Linschoten, bij de huidige Sluisbrug in Oudewater, vernieuwd. Door de sluisdeuren bij de Sluisbrug en de Romeijnbrug kon ook het waterpeil in de haven van Oudewater – de monding van de Lange Linschoten – geheel kunstmatig worden geregeld.

 In 1366 werden ook de Enkele en de Dubbele Wiericke gegraven. Beide afwateringskanalen waren voorzien van een sluis. De sluis van de Enkele Wiericke heeft geen naam en ligt bij de boerderij Wierixoord. De sluis van de Dubbele Wiericke, een kanaal dat ook voor de handel van belang was, werd bekend als ‘Goejanverwellesluis’ en kwam rond 1370 gereed. Nu de Hollandse IJssel belangrijker werd voor de afwatering, was ook het uitdiepen van deze rivier een aandachtspunt. Pas in de zestiende eeuw zou de Oude Rijn weer belangrijker worden voor de afwatering.

 De sluis in Oudewater was voor het Groot Waterschap erg belangrijk. Ook in andere opzichten hadden Oudewater en het Groot Waterschap veel met elkaar te maken. Dat liep niet altijd even soepel. In 1671 kreeg Oudewater een geschil met het Waterschap Woerden over de vernieuwing van enkele ‘zijlen’ of sluisjes in de stedesloot. De stedesloot – in de zeventiende eeuw deels open en deels overdekt - loopt nog steeds als een ondergronds kanaaltje door Oudewater en watert uit op de Hollandse IJssel, de oude stadsgracht en de haven. Oudewater had de oude houten zijlen vervangen door stenen exemplaren. Johan de Koninck, die in september 1671 in Leiden verbleef, kreeg opdracht om de zaak te verdedigen voor het Hof van Holland en moest dus vanuit Leiden spoorslags naar ’s-Gravenhage vertrekken. Het Waterschap had het geschil flink op de spits gedreven: schepen uit Oudewater mochten niet door de Goejanverwellesluis, de Linschoten was met palen versperd zodat er geen schepen naar Woerden en Amsterdam konden varen en ook in de Hollandse IJssel waren palen geslagen zodat de doorvaart naar Utrecht geblokkeerd was. Ook de burgemeesters Willem Tromper en Cornelis de Lange naar ’s-Gravenhage, waar Johan de Koninck als advocaat de zaak bij het Hof van Utrecht verdedigde.

Tekst: Nettie Stoppelenburg