De Oudewaterse Moord door Dirck Stoop (1645)

 

In juli 1575 werd Oudewater omsingeld door een Spaans leger onder aanvoering van de heer van Hierges. Het stadsbestuur had waarschuwingen van de Staten in de wind geslagen: er waren geen dijken doorgestoken en er waren onvoldoende huursoldaten in de stad. Op 7 augustus werd de stad ingenomen. Een deel van de bevolking werd uitgemoord en de stad werd deels door brand verwoest.

 

 

In 1572 waren Jan en Claes Pietersz van der Lee uit Oudewater als watergeuzen aanwezig bij de inname van Den Briel. Jan Pietersz van der Lee kwam met jonker Adriaan van Swieten naar Oudewater om het stadsbestuur ervan te overtuigen zich aan te sluiten bij de opstand[1]. Nog datzelfde jaar stond een Spaans legertje voor de poorten van Oudewater in een poging de stad te verrassen en te heroveren voor de koning. Maar de poorten werden snel gesloten.

 

Pas in 1575 was er weer sprake van oorlogsdreiging. Oudewater had moeilijke jaren achter de rug, met dijkdoorbraken, rondzwervende geuzen en Spaanse deserteurs en in 1574 een pestepidemie. In 1575 kon er weer hennep worden ingezaaid en er werd een goede oogst verwacht. Er was hooi om de koeien te voeden. Waarschuwingen om de juist herstelde dijken weer door te steken, werden in de wind geslagen. Nogal wat boeren woonden binnen de stadsmuren en zaten in het stadsbestuur, zoals Floris Willemsz. Er werden wat herstelwerkzaamheden uitgevoerd aan de middeleeuwse muren, maar over het algemeen was de muur zwak en de vestingwerken waren verouderd. Er was één regiment van 350 huursoldaten in de stad, maar er werd niet vanuit gegaan dat zij nodig waren om de stad te verdedigen. Jan Pietersz van der Lee commandeerde de schutterij van nog eens 350 man.

 

In de vroege ochtend van 19 juli 1575 werd het Spaanse leger bij toeval gesignaleerd op de Damweg. Stadsbestuur en burgers reageerden snel. Vee werd binnen de stad gehaald, gebouwen in het schootsveld van de stadsmuren werden afgebroken. Een aantal burgers probeerde de Damweg te doorgraven. De eerste dag al werd gevochten om het fort aan de Rolaf: dit kwam in Spaanse handen. Een deel van het Spaanse leger trok door Roosendaal naar Goejanverwellesluis om de schans daar aan te vallen. De bezetting van de schans vluchtte naar Gouda. Op 20 juli stuurde het stadsbestuur van Oudewater een brief naar de Prins van Oranje[2]. De heren schepenen legden de situatie voor, verzochten om hulp en vroegen - nu het te laat was - het land onder water te zetten. Dirk Arienzs. van Dam vertrok met de brief, maar wel nadat hij zich had verzekerd van een pensioen voor zijn gezin, voor het geval de tocht hem fataal zou worden. Ondertussen ging het Spaanse leger door met de voorbereidingen voor een belegering. De troepen staken de IJssel over en de stad werd omsingeld. De schansgravers legden loopgraven aan. Er verrezen verdedigingswerken om een uitval af te kunnen slaan en stellingen voor het geschut werden gereed gemaakt. Dat geschut arriveerde pas later. Op 29 juli trok de artillerie door Utrecht met de stukken die bij het beleg van Buren waren gebruikt. Op 3 augustus kwam het geschut voor het eerst in actie, maar toen bleek er onvoldoende ammunitie te zijn.

 

In Oudewater werd geloot om te bepalen wie het commando over de stad zou krijgen. Dit werd Hans Munter. Al na een paar dagen waren er problemen rond de betaling van de huursoldaten. Er kwam geen geld meer binnen in de stad en er ontstond een tekort aan contant geld. Er werden noodmunten geslagen van lood. Het stadsbestuur stond er garant voor en uiteindelijk zouden de munten weer bij hen worden ingeleverd.

 

Inmiddels was Dirk Ariensz. van Dam in Gouda aangekomen. Hij gaf het afgesproken lichtsignaal vanaf de toren van de St. Jan. De burgers van Oudewater waanden zich gered. Een groep relschoppers trok naar de St. Michaëlskerk en haalde beelden, kelken en kruisen van de altaren en tooide zich met misgewaden om zo een spotprocessie over de wallen te houden. De Spaanse commandant, Hierges, begreep dat er hulp kon komen. Hij liet dijkjes aanleggen rond de legerplaats voor het geval de dijken zouden worden doorgestoken. Maar in Gouda besloot het stadsbestuur dat het zinloos was om in de zomer de dijken door te steken. De Prins van Oranje kwam persoonlijk naar Gouda om te proberen een ontzettingsleger bijeen te brengen, maar het was tevergeefs.

 

Op zaterdag 6 augustus was het geschut klaar om in actie te komen. Hierges liet de stad opeisen door de heer Van Oostrum, ’s morgens tussen zeven en acht uur. Hij beloofde de verdedigers van de stad vrije aftocht met achterlating van de wapens. Het stadsbestuur vroeg drie dagen uitstel om met de Prins van Oranje te overleggen. Zij kregen twee uur en toen zij na twee uur nog geen besluit hadden genomen, begon de beschieting. De kanonnen stonden gericht op de oostmuur ten noorden van de Waardpoort. Een boer uit de Ruige Weide had Hierges verraden dat dit stuk muur in zeer slechte staat was. Volgens getuigen was de beschieting tot in Amsterdam te horen[3]. De muur bezweek. Enkele kogels kwamen in de stad terecht en veroorzaakten doden en gewonden.

 

In de nacht van 6 op 7 augustus, toen het geschut zweeg, werd aan beide zijden hard gewerkt. De Spanjaarden vulden de gracht voor de bressen met bundels hennep die zij van het land hadden gehaald. De burgers van Oudewater legden een mijn onder de bressen en vulden de bressen met balken, puin, hennep, hekels, visnetten en stalen pennen. Zodra het licht werd, liet Hierges de bressen leeg schieten. Om 12 uur kwam de grote aanval. De huursoldaten en de schutterij verdedigden de stad, samen met de vrouwen en kinderen die pek uitgoten over de vijand, stenen en brandende hoepels gooiden. Toen de verdedigers zich moesten terugtrekken uit de bres, lieten zij de mijn springen. Het kostte veel Spaanse soldaten het leven, maar de bressen werden vergroot tot één grote bres waardoor nog meer soldaten de stad binnen konden trekken.

 

De overlevenden van het Spaanse regiment dat als eerste door de bres was gekomen, waren nu uit op wraak. Niet alleen verdedigers maar ook vrouwen, kinderen, priesters en nonnen werden het slachtoffer. Aert van Duyn tekende bijna 100 jaar later nog vele verhalen op over individuele gevechten en over moordpartijen, die door nazaten van de overlevenden werden verteld[4]. Oudewater stond bekend als een rijke stad: de soldaten plunderden dus waar ze konden. Na het Spaanse regiment trok een regiment Duitse huursoldaten de stad binnen. In de omgeving van de St. Michaëlskerk raakten beide regimenten in gevecht over de buit. Hierbij ontstond brand. Een groot deel van de stad werd hierdoor verwoest. Waarschijnlijk kwam ongeveer de helft van de inwoners van Oudewater bij de inname om het leven: niet voor niets wordt gesproken van ‘de Oudewaterse Moord’. Toch woonden er in 1615 nog meer dan 300 overlevenden van ‘de Oudewaterse Moord’ in Oudewater[5] .

 

De autochtone inwoners van Oudewater waren na augustus 1575 gevlucht. Pogingen om imigranten voor de stad aan te trekken, waren niet erg succesvol. Begin november 1576 werd de stad opnieuw door de Geuzen ingenomen. De oude burgers keerden terug en in de volgende jaren kwamen er ook veel nieuwe inwoners, met name uit de zuidelijke Nederlanden.

 

 Tekst : Nettie Stoppelenburg



[1] Voor Jan Pietersz. van der Lee, zie: P.M. Stoppelenburg, ‘Jan Pietersz. van der Lee’, in: H.L.Ph. Leeuwenberg en F. Vogelzang (red.), Tussen de Lek en de Hollandsche IJssel. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende mensen uit Oudewater, Montfoort, Linschoten, IJsselstein, Nieuwegein en Lopik. Utrecht, 2003.

[2] De brief is bewaard gebleven in het Koninklijk Huisarchief: A11/XIV E/29; www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/WVO/brief/4734

[3] Dr. I.H. van Eeghen, Dagboek van broeder Wouter Jacobsz, Amsterdam 1575-1578 en  Montfoort 1578-1579. Groningen, 1959

[4] Arnoldus van Duyn, Oudewaters Moord. 1669; de tekst is opgenomen in de bronnenuitgave: J.G.M. Boon (ed), Oudewater 1570-1580. Vrijheid en Gezag. Oudewater, 1975.

[5] Voor meer informatie en een beschrijving van het schilderij van ‘de Oudewaterse Moord’, zie: Nettie Stoppelenburg, De Oudewaterse Moord. Oudewater, 2003.