1. De Ursula Kapel 

2. De Waag

3. Stadhuis

4.Woonhuis van Dominee Lydius

5. Grote of St. Michaels kerk.

6. Oudkatholieke kerk

7. Sint Franciscuskerk

8. Kasteel te Vliet

9. Weeghuisje en weegbrug

10. Theekoepel

11. De sigarenfabriek van de gebroeders Montijn

12. Huis stal en koetshuis van de familie Lorentz

13. Ijselveere, bewoning en vestingwerken

 

1. De Ursula kapel

Rond 1400 vestigde zich aan het Heilig Leven, een zijstraatje van de Kapellestraat, een groep nonnen. In 1412 betrokken de nonnen uit het Heilig Leven een pand aan de overzijde van de Kapellestraat. Van dit nonnenklooster, gewijd aan Sint Ursula, is alleen de kapel nog overgebleven, nu Kapellestraat 24. Toen Oudewater zich in 1572 aansloot bij de opstand, konden de nonnen nog gewoon in het klooster blijven. Nadat de stad in 1575 was ingenomen door de Spanjaarden werden ook de nonnen die zich niet hadden verstopt, vermoord. 

Na de herovering in 1576 werd het klooster formeel opgeheven. Sommige nonnen trouwden, anderen zetten zich in voor het verzorgen van zieken. Het was hen ook toegestaan te vertrekken naar katholieke steden waar zij verder als non konden leven. 

De Ursulakapel werd voortaan gebruikt als school en op de zolder werd de voorraad turf voor de armen opgeslagen. Er was één schoolmeester voor alle kinderen in Oudewater. Gelukkig – voor de meester dan  - gingen niet alle kinderen in Oudewater naar school. Kinderen van arme ouders moesten werken – als er werk was. Ook in Oudewater zaten kinderen vanaf 4 jaar achter het grote wiel op de touwbaan. Veel boerenkinderen werden geacht mee te helpen op de boerderij en werden alleen in de rustige wintermaanden naar school gestuurd. Er waren ook schooltjes in de Lange Linschoten, in Snelrewaard, in Hoenkoop en in Hekendorp. 

Het vakkenpakket bestond uit lezen, psalmenzingen, schrijven en rekenen. Ook van katholieke kinderen werd verwacht dat zij de psalmen leerden zingen en delen van de protestantse geloofsbelijdenis uit het hoofd leerden. Voor het leren schrijven en rekenen moest betaald worden. Enkele schoolmeesters waren ook in staat om franse les te geven, iets waar de meer vermogende burgers wel belangstelling voor hadden.

In 1783 en 1828 werd ten behoeve van de school het westelijke deel van de kapel afgebroken en vernieuwd. In deze tijd werd de kapel al niet meer als school gebruikt maar als huisvesting voor een minder-vermogende bejaarde. De schoolmeester woonde bij de school, in het nieuwe gedeelte van het gebouw.

In de 19e eeuw werd er meer op toegezien dat kinderen ook werkelijk naar school gingen. Er kwamen nu dagelijks zo’n 120 kinderen naar de Ursulakapel. Er was één schoolmeester die twee hulpschoolmeesters had om hem te assisteren.

In 1882 werd de nieuwe openbare school in gebruik genomen, op de hoek van de Kapellestraat en de St. Jansstraat. In deze tijd openden ook de protestantse ‘School met de Bijbel’, de katholieke ‘Mariaschool’ en de ‘St. Josefschool’ haar deuren. De Ursulakapel en het schoolgebouw werden voor andere doeleinden gebruikt. In de laatste decennia van de 20e eeuw was hier het politiebureau. Tegenwoordig is de kapel in gebruik als kantoor.

 

2. De Waag te Oudewater   (door Nettie Stoppelenburg)


Oudewater had zeker al in de vijftiende eeuw een stadswaag. De waag was gevestigd in hetzelfde gebouw als het stadhuis, aan de Markt- of Hallebrug op de hoek van de Gasthuissteeg. Dit gebouw was veel groter dan de huidige waag.

Handel was belangrijk in Oudewater. Waarschijnlijk was in de middeleeuwen de lakenindustrie van groot belang, maar in de vijftiende eeuw werden hennepteelt en touwindustrie de basis voor de lokale economie. In de vijftiende eeuw gingen de boeren rond Oudewater van akkerbouw over op veeteelt en hennepteelt. Oudewater legde zich toe op de productie van touw. De aangevoerde hennep werd in de waag gewogen voordat ze op de markt verhandeld mocht worden. Het waaggeld bedroeg een oortje of twee duiten voor honderd pond hennep. De lijndraaiers op hun beurt moesten het garen en touw dat zij produceerden ook in de waag laten wegen voordat het verkocht kon worden. De schijven waarop het garen was gewikkeld, werden  daarna van een brandmerk voorzien.

Natuurlijk werd in de waag meer gewogen dan hennep en touw. De overlevering wil, dat keizer Karel V hier langskwam met een vrouw die in Polsbroek was beschuldigd van hekserij en te licht was bevonden. Op de waag in Oudewater bleek zij een normaal gewicht te hebben en het toegesnelde stadsbestuur – dat ongetwijfeld op de bovenverdieping in vergadering was – kreeg van keizer Karel een privilege om alle van hekserij beschuldigde personen in zijn rijk te wegen.

In 1575, tijdens de inname van Oudewater door de Spanjaarden, werd het waaggebouw zwaar beschadigd. Er was rond 1570 al een nieuw stadhuis gebouwd aan de Visbrug en mogelijk was het oude gebouw al in minder goede conditie. Maar een waag was een absolute noodzaak. Toen de burgers van Oudewater begonnen met de wederopbouw van hun stad, was de waag hun eerste zorg. Op 24 augustus 1578 besloten schout, burgemeesters en gerecht van Oudewater dat op elke pond hennep een stuiver extra betaald moest worden voor het bouwen van een nieuwe waag “ ten geryve en proffyte van de stede burgeren en den gemeenen buytenlanders en cooplueden hier te mart comende.” In de stadsrekening van 1579 werd genoteerd dat aan Pieter Gerritsz Paemburch, die ook de bouwmeester van het stadhuis was, een bedrag van 18 gulden was uitbetaald speciaal voor werk aan de waag. In 1580 was sprake van leverantie van glas voor de waag en in de volgende jaren weer van metselwerk aan de waag en ‘clinckert arbeyt’. Dat klinkt als bestrating en dat zou het ook wel eens kunnen zijn. In 1594 werd besloten dat de Gasthuissteeg, ten zuiden van de waag, met tien voeten (meer dan twee meter) verbreed moest worden ten koste van de waag. Omdat het waaggebouw toen al bijna afgebouwd moet zijn geweest, ging het waarschijnlijk om het afstaan van eigen terrein rond de waag ten bate van het verkeer.

De bouwgeschiedenis.

Na de verwoesting van Oudewater in 1575 was de waag één van de eerste gebouwen die herbouwd werd in steen. Volgens het jaartal dat tot aan de restauratie van 1938 in het bovenraam te zien was, was de waag in 1595 klaar.

Oudewater, dat zich liet voorstaan op de topkwaliteit van haar product, moest met haar openbare gebouwen - de waag en het stadhuis - toch zeker de bewondering afdwingen van naburige steden en bezoekende handelslieden.

Een waag was een uitermate essentieel gebouw in een marktstad. In diverse steden in de omgeving, waar de handel in hennep ook belangrijk was, verrezen in dezelfde periode nieuwe waaggebouwen. Zo kreeg Montfoort rond 1600 een nieuw waaggebouw op de brug over de Haven. Enkele jaren later werd in Schoonhoven een nieuwe waag gebouwd.

Omdat Oudewater kennelijk maar zelden door tekenaars of schilders werd bezocht, is er maar één oude afbeelding van de waag bekend: de prent uit 1745. Deze prent is gemaakt naar een tekening van H. de Winter. De waag is hier afgebeeld met een trapgevel en allerlei andere kenmerken, die typerend zijn voor de bouwstijl van de Hollandse Renaissance, zoals de sierlijsten en de blokjespatronen in de ontlastingsbogen boven de ramen. Het uiterlijk is vergelijkbaar met de gevel van het stadhuis dat al in 1588 werd voltooid en met de gevels van de huizen die door bouwmeester Pieter Gerritsz Paemburch gebouwd zijn zoals het huis met de koppen aan de Donkere Gaard.

 

Tot het midden van de achttiende eeuw werd de waag verpacht. De pachter was verantwoordelijk voor de exploitatie en, tot op zekere hoogte, het onderhoud. Maar door de economische malaise en het verval van de touwindustrie was de exploitatie uiteindelijk niet meer winstgevend en niemand wilde de waag meer pachten. Het stadsbestuur moest dus zelf een waagmeester aanstellen. Een waag was nodig, maar het moest niet al te veel kosten. In 1764 werd een nieuwe balans gekocht voor de waag bij A.Adriaansz. te Amsterdam voor 56 gulden en 4 penningen. De oude balans werd gerepareerd. Dat was een flinke uitgave, maar kennelijk onvermijdelijk. Het is dus niet vreemd dat er, toen er onderhoud aan de gevel nodig was, gekozen werd voor een goedkope oplossing. Op 20 mei 1779 werd in de resoluties van de vroedschap genoteerd: ‘Nog gaven burgemeesteren over een tekening van een nieuwe gevel voor de waag en gaven in bedenking of men voor ieder deur niet zoude hangen een evenaar waarop goedgevonden is de teekening goed te keuren en aan de heeren burgemeesteren het gehele werk over te laten.’ In de stadsrekeningen van 1779 staat onder de post ‘reparatien aan de stad- en godshuyzen gedaan’ een uitbetaling van 9 stuivers aan meester metselaar Hermanus van Heeswijk voor arbeidsloon en leverantie van kalk en steen aan de waag. Goedkoper kon het toch niet. De complete metamorfose behelsde het wegkappen van de trapgevel en de sierlijsten, het omvormen van de geveltop tot een tuitgevel, het vergroten van de raamopeningen en het bepleisteren van de gevel. De vorm van de vensters van de waag, zoals ze op de negentiende-eeuwse tekening van Rahms te zien zijn, is typerend voor de achttiende eeuw.

Het gebruik van de waag.

Geen hennepkoopman of lijndraaier in Oudewater kon er omheen: elke legale bos hennep en schijf met garen belandde op de schalen in de waag, voordat de hennep verwerkt werd of voordat het eindproduct werd afgevoerd.

De aanvoer gebeurde op grote schaal. In 1708 bracht lijndraaier Hendrik Lodewijke Bruijneman 36 bossen hennep naar de waag om te wegen, tegelijkertijd met andere lijndraaiers. Toen hij de bossen hennep naar zijn pakhuis had overgebracht, miste hij er een. Al snel bleek de bos in de waag te zijn achtergebleven en omdat niemand anders daar aanspraak op maakte verzocht Bruijneman die te mogen meenemen. Kennelijk was deze onzorgvuldigheid zo ongebruikelijk, dat het voorval in de resoluties van burgemeesters en schepenen werd vermeld.

Ook de schijven met garen werden in de waag gewogen. De schijfhouten hadden een vast gewicht waardoor het gewicht van het garen vastgesteld kon worden. Na de weging werden ze voorzien van een brandmerk als teken van goedkeuring.

Oudewater liet zich naar haar afnemers voorstaan op de kwaliteit van haar product en haar hoge normen bij het productieproces. Een enkele keer ging het mis. In 1678 werd ontdekt dat de keurmeesters op de hennep hadden meegewerkt aan oplichterij: ze hadden schijfhouten gebrand die de helft te zwaar waren. Beide keurmeesters kregen aangezegd op marktdagen op de markt te blijven, maar verder had hun slippertje geen gevolgen. De sociale controle was afdoende om herhaling te voorkomen.

De waagmeesters waren allen afkomstig uit de gegoede burgerij. De functie van waagmeester werd gepacht van de stedelijke overheid en het pachtgeld moest door de waagmeester worden terugverdiend door het heffen van accijns. In 1744 bedroeg de pacht 820 gulden per jaar.

Hoe druk het was in de waag blijkt wel uit het feit dat bijna jaarlijks de touwen van de weegschalen werden vervangen. Elke twee jaar werden de gewichten geijkt op het stadhuis, waar ze dan door de bierdragers of door een voerman naar toe werden gebracht.

Behalve voor hennep werd de waag ook gebruikt voor het wegen van kaas. De melk van het vee werd voor een deel verwerkt tot kaas. Hoewel op het onbemeste grasland minder vee gehouden kon worden dan tegenwoordig, kon een boer die alle melk tot kaas liet verwerken, per jaar nog heel wat produceren. Zo liet in 1660 Geerlof Lievensz uit Diemerbroek 103 kazen wegen in de waag. Ze wogen samen 4477 pond. 

Naarmate het belang van de hennepteelt in de regio afnam, nam het gebruik van de waag voor het wegen van kaas toe.

De waag is het meest bekend geworden door het wegen van personen die van hekserij beschuldigd waren. Borremans noemt in 1657 twee vrouwen bij naam, maar spreekt van meerdere personen uit Keulen, Munster en Paderborn die voor de weging naar Oudewater kwamen. Van Kinschot noemt in 1747 twaalf personen bij naam, maar zegt ook dat er nog meer waren. In 1729  werd de laatste ‘heks’ gewogen.

De restauratie

In het begin van de 20ste eeuw werd de kaasmarkt verplaatst naar het Gasplein en daar verrees in 1929 een nieuw waaggebouwtje. Het was kennelijk aanleiding om de mogelijkheden van het oude waaggebouw eens nader te bekijken. De bepleistering werd van de gevel verwijderd en daaronder kwamen duidelijke sporen van een trapgevel tevoorschijn. Hoewel de Rijksdienst voor Monumentenzorg het verzoek om subsidie in eerste instantie afdeed als ‘gebaseerd op een oud prentje’, gingen zij in 1938 toch overstag, overtuigd door de bouwhistorische gegevens. In 1939 was het exterieur gerestaureerd voor een bedrag van fl. 5142,91. Aan het interieur werd in 1940 nog verder gewerkt. De waag kreeg een nieuwe functie, als oudheidskamer. Maar de meeste bezoekers kwamen toch naar de ‘Heksenwaag’ om zelf te ervaren hoe een van hekserij beschuldigd persoon zich voelt op de schalen. Al snel was de ‘waag’ in de eerste plaats ‘Heksenwaag’ en richtte dit museum zich op het verhaal van de vele duizenden vrouwen en mannen die het slachtoffer werden van de heksenvervolgingen.

3. Stadhuis

Voor en na 1575

Oudewaters eerste stadhuis stond op de plek waar nu de waag staat. Op de kaarten van Jacob van Deventer, die rond 1560 werden gemaakt, is op de plaats van de huidige waag een groot gebouw te zien. Op één van de versies van deze kaarten is dit pand aangeduid als ‘civita domus’ oftewel stadhuis. Het pand was zowel stadhuis als waag, een vrijstaand gebouw dat veel groter was dan de huidige waag.  Rond 1565 bouwden de burgers van Oudewater een nieuw stadhuis aan de Visbrug.

Oudewater werd in 1575 ingenomen door het Spaanse leger en grotendeels door brand verwoest. Ook het stadhuis leed daarbij zware schade. In 1576 kwam de stad opnieuw in de handen van de opstandelingen. De burgers van Oudewater slaagden er al snel in om op de puinhopen een nieuw bestaan op te bouwen. Dat was te danken aan de touwindustrie en aan het feit dat er juist in die tijd veel vraag was naar touw. Zowel handelsschepen als oorlogsschepen hadden tuigage en zeilen nodig.

Er viel na 1575 heel wat te repareren in Oudewater en dat blijkt ook uit de stadsrekeningen. Er staat niet altijd vermeld waar een bepaalde metselaar aan werkte, maar de vestingwerken kregen veel aandacht. De metselaar Pieter Gerritsz Paemburch wordt geregeld in de rekeningen genoemd. In 1577 werkte hij aan een wachthuis bij de Broeckerpoort, en later verrichtte hij metselwerk aan de school.

 

Herbouw van het stadhuis van Oudewater

Het stadhuis van Oudewater was in 1575 nog gloednieuw toen het Spaanse leger de stad verwoestte. Het was in gotische stijl gebouwd, met stijlkenmerken vergelijkbaar met het stadhuis van Gouda, zoals een baldakijn boven het bordes. Het stadhuis raakte in 1575 beschadigd, maar er werd in ieder geval in 1578 alweer vergaderd. In dat jaar werden ramen gemaakt, een schoorsteen werd gerepareerd en er werden banken aangeschaft. De kelder was nog goed bruikbaar en werd gebruikt voor de opslag van turf. Zelfs het ‘uerwerckxhuysge’ en ‘een clockgen’ in het torentje van het stadhuis worden gerepareerd. 

Op 26 februari 1588 werd besloten tot nieuwbouw. Er werd gesproken van het stadhuis ‘op zijn ouwe fundamenten weder opte rechten’. Het geld voor de bouw komt van de verkoop van land buiten de oude Waardsepoort, van wat de sloop van de oude IJsselpoort oplevert en de verkoop van de percelen waar de huizen aan de Oost-IJsselkade gebouwd zouden worden. Op 9 mei blijkt ‘metselaar’ Pieter Gerritsz Paemburch het bestek te hebben gemaakt. Hij kreeg daar tien gulden voor. Paemburch was in dat jaar ook burgemeester en dat heeft waarschijnlijk wel enig commentaar opgeleverd want de opdracht werd niet automatisch bij hem aanbesteed: ‘omme all opspraek ende presumptie van de gemeente te schuwen, dattet tmetselarije int openbaer sal geschieden.’ Niettemin kreeg hij toch de opdracht, waarschijnlijk omdat hij het grootste bedrijf had. Ook opdrachten voor ander werk aan het stadhuis werden verdeeld.

 

De architect

Pieter Gerritsz Paemburch (1544-1633) en zijn vrouw Marrichje Jacobsdr Speijert behoorden tot de vooraanstaande families in de stad. Beiden waren in Oudewater toen de stad in 1575 werd ingenomen door het Spaanse leger. Zij waren toen al getrouwd en Paemburch verrichtte al bouwwerkzaamheden voor de stad.

Marrichje Jacobsdr Speijert was een achternicht van pastoor Ellert Jacobsz Speijert die in 1580 een kwart van zijn vermogen naliet aan het gasthuis van Oudewater. Het echtpaar Paemburch was rijk, niet in de laatste plaats omdat Paemburch een groot bedrijf had. Hij was in staat om grote projecten aan te nemen: in 1590 is sprake van het bouwen van een grote werkplaats voor zijn bedrijf. In 1591 legde hij de eerste steen voor de nieuwe ‘Remeijnsbrugge’ en ook het verdere metselwerk aan de brug werd door hem –  of liever gezegd door zijn bedrijf – uitgevoerd.

In 1577 wordt Paemburch voor het eerst genoemd als schepen en in 1579 voor het eerst als burgemeester. In die functies maakte hij regelmatig reizen naar steden zoals Gouda, Den Haag, Utrecht, IJsselstein, Woerden, Rotterdam en Dordrecht. Naar sommige steden reisde hij voor de aankoop van bouwmaterialen en soms voor overleg met stads- of waterschapsbesturen. Zijn reizen naar Den Haag betroffen geschillen met het Waterschap Woerden, belastingzaken en de regeling voor schadevergoeding aan de overlevenden van de Oudewaterse Moord. Paemburch heeft tijdens zijn reizen ongetwijfeld bouwprojecten bezocht en kennisgenomen van het werk van andere bouwmeesters van zijn tijd zoals Hendrick de Keyser (Amsterdam), Clemens Frederiksz van der Goude (Gouda) en Maerten Gillisz van der Pijpen (Dordrecht). 

Paemburch werd geen lidmaat van de gereformeerde kerk en vervulde dus ook nooit kerkelijke functies. Uit een lijst van voordrachten voor het stadsbestuur die in 1620 naar de Staten van Holland werd gestuurd, blijkt dat hij katholiek is gebleven. Het was kennelijk een keuze die weliswaar bekend was, maar waar hij zeer discreet mee omging en die dus niet direct als een belemmering werd gezien voor zijn functioneren in het stadsbestuur.

Het echtpaar Paemburch woonde in het huis Havenstraat 4. In 1594 kreeg Paemburch subsidie op dakpannen voor dit het huis. Natuurlijk werd het gebouwd naar zijn eigen ontwerp. Ook veel andere vroeg-zeventiende-eeuwse trapgevels in Oudewater moeten door hem zijn ontwerpen. Het echtpaar Paemburch bleef kinderloos en schonk een groot deel van hun vermogen aan goede doelen. Zo bepaalden zij in hun testament dat jaarlijks op hun trouwdag, 8 november, een brooduitdeling aan de armen gehouden moest worden en zij lieten daarvoor 600 gulden aan renten en rentebrieven na.

 

Bezuinigingen op de bouw

Eén van de smeden die het hangwerk en de windijzers mochten maken, was Pieter Pietersz van Venlo, de smid die in ‘De Bonte Koe’ woonde. Hij was in 1578 burger geworden, toen de stad nog vol puin lag en de wederopbouw eigenlijk nog moest beginnen. In 1587 had hij al genoeg verdiend om het huis ‘De Bonte Koe’ te kunnen bouwen. Eind mei bezuinigde het stadsbestuur toch wat op de bouwplannen: het oorspronkelijke bestek had kennelijk voorzien in ‘lijsten’ van natuursteen zowel over de voorgevel als over de zijgevel aan de Kapellestraat, maar de laatste werden geschrapt terwijl tegelijkertijd bepaald werd dat de zijgevel zoveel mogelijk van de stenen van het oude stadhuis moest worden opgetrokken. Uiteindelijk zijn er meer plannen uit het bestek op een andere wijze uitgevoerd. In ieder geval kreeg het stadhuis een uiterlijk dat typerend is voor de architectuur van de Hollandse Renaissance. Baksteen is gecombineerd met banden natuursteen. Boven de vensters van de voorgevel zijn klassieke frontons aangebracht. Het bordes heeft pilasters zoals een klassiek bouwwerk past. De deur daartussen geeft toegang tot de kelders, die konden worden gebruikt als ‘cachot’ maar ook als opslagplaats voor turf en andere zaken. Er is geen baldakijn meer boven het bordes, zoals het oude stadhuis dat nog wel had. 

 

Het bordes

De rand van het bordes wordt bekroond met vier wapendragende leeuwen. De meest voor de hand liggende verklaring voor de wapens is, dat het de wapens zijn van de burgemeesters van het jaar 1588, Pieter Gerritsz Paemburch, Jan Jacobsz Coorn, Huijch Willemsz van Swieten en Sebastiaen Adriaensz. Maar hun wapens zijn niet op het bordes afgebeeld. De nu aanwezige wapens zijn zelfs niet te herleiden naar welke personen dan ook. Ook recent archiefonderzoek wijst erop dat het niet meer gaat om de originele wapenschilden, maar dat ergens in de loop der eeuwen de wapenschilden vervangen zijn door fantasiewapens, mogelijk omdat de oude schilden door weersinvloeden niet meer herkenbaar waren. Ook de treden van het bordes zijn trouwens door de eeuwen heen verschillende malen vervangen. 

 

Het beeldhouwwerk aan de gevel

De steenhouwer die het originele beeldhouwwerk aan het stadhuis maakte, was Gieleam Verminx uit Delft. Behalve de leeuwen met de wapenschilden moet hij ook de wapens van de steden Delft, Alkmaar en Oudewater hebben gebeeldhouwd. Deze drie stedenwapens verwijzen naar het oude stedenverbond dat al uit de middeleeuwen dateerde. Burgers uit deze steden konden in de andere steden die onder het verbond vielen, burgerrechten laten gelden. Op de gevel is ook een beeld van vrouwe Justitia aangebracht. Dat wijst op een belangrijk onderdeel van de stadsrechten, namelijk het recht op hoge jurisdictie dat het stadsbestuur bezat.

 

Het interieur

Waarschijnlijk was de buitenkant van het stadhuis aan het einde van 1588 al grotendeels klaar, maar aan het interieur werd nog jarenlang gewerkt. Zo is in de schouw in de vierschaar – nu de raadszaal – het jaartal 1611 aangebracht. De originele schepenbanken werden in 1592 gemaakt door Krijn Cornelisz de kistemaecker, een meubelmaker die in de Marktstraat woonde. Waarschijnlijk maakte hij ook de betimmering in de Weeskamer, de latere Burgemeesterskamer. Het huidige meubilair is voor het merendeel modern. Het schilderij van de Oudewaterse Moord werd in 1650 speciaal voor de schepenkamer geschilderd.

 

Reparaties en restauraties.

Door de eeuwen heen werd er het nodige gerepareerd aan het stadhuis. De traptreden van het bordes werden regelmatig vernieuwd. In 1755 voerde metselaar Leendert Fittere die reparatie uit. In 1759 bleek het dak slecht. Er was te weinig geld in kas voor een nieuw dak van leien en het stadsbestuur besloot om wat noodreparaties uit te voeren en de vervanging uit te stellen. In 1761 werd er dan toch een nieuw dak gelegd.

 

In 1887 werd het stadhuis ingrijpend gerestaureerd en aangepast aan het groeiende aantal ambtenaren. Er kwam onder andere een bakstenen bekleding rond het oude gebouw, waardoor de zijgevel nu toch de natuurstenen banden kreeg die in het bestek van 1588 waren voorzien. De ramen in de voorgevel werden vergroot en er werden dakkapellen aangebracht. De grote hal werd opgedeeld in kleinere ruimtes voor de bode en de veldwachter.

 

In 1968 ontstond er een felle brand op de zolder van het stadhuis. Het werd aanleiding om het stadhuis op basis van de originele bestekken in haar oude glorie te herstellen, zoals Pieter Gerritsz Paemburch het indertijd afleverde.

 

© Nettie Stoppelenburg en C.H. van Wijngaarden, 2011

 

4. Het woonhuis van dominee Lydius


Johannes Lydius was in 1578 geboren in Frankfurt, waar zijn vader predikant was. Het gezin Lydius kwam naar Nederland toen vader hoogleraar werd aan de Friese Academie te Franeker. In 1601 werd Johannes Lydius predikant te Aarlanderveen en op 11 april 1602 werd hij predikant in Oudewater. De dag tevoren was hij getrouwd met de Oudewaterse Catharina Jansdr. van Galen.

Lydius was niet de enige predikant in Oudewater: de gemeente was groot genoeg voor twee predikanten. Lydius' eerste collega was Andries Stangerus. Ze hadden elk per week twee preekbeurten. Er waren twee diensten op zondag, één op woensdagmorgen om 9 uur en één op vrijdagmiddag om 4 uur. Het inkomen van een predikant was betrekkelijk laag: zo'n 350 tot 400 gulden per jaar. Lydius was met een rijke vrouw getrouwd, maar het predikantsinkomen alleen was eigenlijk te weinig om met een gezin van te kunnen leven. De vrouw van Stangerus had een winkeltje in netten en touw. Eén van de eerste dingen die Lydius in Oudewater deed, was het verbieden van dat winkeltje. Pietertje Stangerus nam prompt wraak. Ze beschuldigde Lydius van het stelen van kersen van haar kerssenboom. Hij zou ’s avonds een ladder tegen de boom hebben gezet en de kersen in de schoot van een meisje hebben gegooid. Prompt werd het stelen van kersen schering en inslag in Oudewater: want als de dominee het deed, kon het niet verkeerd zijn. Lydius ging in staking en uiteindelijk gaf Pietertje Stangerus toe dat ze het hele verhaal had verzonnen.

Eén van de theologische leerstellingen die de protestanten in de zestiende en zeventiende eeuw bezighielden, was het punt van de predestinatie of voorbeschikking. Er waren verschillende standpunten mogelijk. Zo waren sommige theologen van mening, dat God al voor de zondeval had bestemd wie uitverkoren was en wie niet. Anderen geloofden dat God dit na de zondeval had bepaald. Jacobus Arminius, de Leidse hoogleraar theologie die in Oudewater was geboren, stelde dat de mens kan kiezen voor het goede en zo door de genade van God gerechtvaardigd kan worden. Zijn leerstellingen werden bestreden door zijn collega-hoogleraar Gomarus. Na de dood van Arminius in 1609 boden zijn aanhangers een 'Remonstrantie' aan aan de Staten van de Zeven Provinciën, waarin zij hun theologische standpunten uiteenzetten en om tolerantie verzochten. De aanhangers van Gomarus boden daarop een 'Contra-Remonstratie' aan. De discussie die begonnen was tussen de twee Leidse hoogleraren, werd niet zozeer vanaf de kansel maar wel in de raadzalen en op straat uitgevochten. Protestant Nederland raakte verdeeld in 'remonstranten' en 'contraremonstranten' en de onrust onder de bevolking liep hoog op. De groeperingen maakten elkaar uit voor 'Slijkgeuzen' (de contraremonstranten, die om een contraremonstrantse preek te horen desnoods over de modderige wegen naar een naburige stad liepen) en 'Bavianen' (de remonstranten). Toen remonstrantse stadsbesturen korpsen wachtgelders bijeenriepen om de rust desnoods gewapenderhand af te dwingen, greep prins Maurits in. Vooraanstaande remonstranten, zoals Johan van Oldenbarneveld en Hugo de Groot, werden gevangengenomen.

In Oudewater zorgden de twisten tussen remonstranten en contraremonstranten voor zoveel onrust, dat het in het hele land bekend raakte. Er werden pamfletten gedrukt waarin alle perikelen breed werden uitgemeten. Wat was er gebeurd?

In 1608 volgde Levinus de Raet dominee Stangerus op. Lydius en De Raet werkten goed samen, ondanks hun verschillende inzichten over theologische vraagstukken. De Raet was een overtuigd remonstrant, een aanhanger van de leer van Arminius. Lydius was een al even overtuigde contraremonstrant, een aanhanger van de leer van Gomarus. In 1615 werden Lydius en De Raet ervan beschuldigd te twisten over de predestinatie. Ze maakten nog eens duidelijk dat zij wel verschillende inzichten hadden, maar dat ze daarover geen geschil hadden en dat ze in goede vrede met elkaar samenwerkten. Toch kwamen er nu problemen. De merendeels remontrantse schepenen voegden nieuwe – remonstrantse - leden toe aan de kerkenraad om daar een stem in het kapittel te krijgen. Door de bemoeienis van de schepenen keerden de oude leden van de kerkenraad zich tegen predikant De Raet. In 1617 liep de zaak nog hoger op, omdat Lydius zonder De Raet een Avondmaalsdienst hield. De schepenen zetten Lydius af als predikant en hij vertrok spoorslags naar Den Haag om zijn beklag te doen bij het hoogste gerechtshof, het Hof van Holland. Prins Maurits en het Hof van Holland beslisten dat Oudewater Lydius als predikant moest terugnemen. Toen in datzelfde jaar de classis bij Lydius thuis wilde vergaderen, weigerde Lydius dat omdat er remonstrantse predikanten bij zouden zijn. De schepenen bespraken nu een nieuwe poging om Lydius te ontslaan, maar hun gesprek werd afgeluisterd door lijndraaiers die in de hal van het stadhuis schuilden voor de regen. De lijndraaiers maakten de heren op harde wijze duidelijk dat zij Lydius als predikant wensten te behouden. Op 3 mei 1617 vertrok Levinus de Raet uit de stad. Voor- en tegenstanders liepen die avond op straat, het kwam tot opstootjes en een baanschuur van een contraremonstrant werd in brand gestoken. Op 28 mei kwam De Raet terug, maar op 18 augustus werd hij beroepen in Haastrecht en ontslagen in Oudewater. De classis stuurde nu de remonstrantse predikant Eduard Puppius naar Oudewater, maar het preken werd hem vrijwel onmogelijk gemaakt. Op 2 januari 1618 werd een baanschuur op de wal in brand gestoken. De burgerij raakte in paniek en eiste dat 's nachts aan ieder huis een lantaarn zou hangen zodat de straten verlicht bleven. De burgers gingen alleen nog gewapend over straat. De vroedschap loofde 300 gulden uit voor het aanwijzen van de brandstichter, maar die bleef onbekend. Met de benoeming van Fredericus Abbema tot tweede predikant later dat jaar keerde de rust terug.

Dominee Lydius was zeer zorgzaam voor zijn parochianen en fel anti-katholiek. Dat laatste leverde soms heftige discussies op met leden van het stadsbestuur en met de baljuw. Na zijn overlijden, op 20 januari 1643, werd het voor de katholieken in Oudewater wat rustiger.

5. Grote of Sint Michaelskerk 

Uit de verbouwing van een gotische kruiskerk in de 15de eeuw ontstane hallenkerk van drie beuken, overdekt door houten tongewelven. In het schip bakstenen zuilen met lijstkapitelen; in het veelhoekig gesloten koor, dat door recht gesloten nevenkoren geflankeerd wordt, zuilen met bladkapitelen in trachiet. Aan de zuidzijde van het koor een sacristie, eerste kwart 16de eeuw, overdekt door ster- en netgewelven. Gerestaureerd 1927-1928; opnieuw in restauratie 1960-heden. Tot de inventaris behoren: een eikehouten preekstoel in renaissancevormen, eerste helft 17de eeuw, afkomstig uit de Nieuwe Kerk te Dordrecht; een natuurstenen gotische doopvont, 15de eeuw; een epitaaf voor R. Snellius van Royen, 1613. Orgel met Hoofdwerk, Bovenwerk en vrij Pedaal. in 1840 gemaakt door de firma Kam en Van der Meulen. De kast werd gemaakt door A. Meere in 1839 en verscheidene grafzerken uit de 15de, 16de en 17de eeuw. In de kerk houten frame met buiten gebruik gestelde klokken: elf klokken gemaakt door G. Both, 1599/1601, vier klokken van Noorden & De Grave en één klok van C. Fremy.

Toren

Bakstenen bouwwerk uit omstreeks 1300, bestaande uit vier geledingen, waarvan de onderste een doorgang bevat.

In de plattegrond rechthoekige toren is tegen de tweede en derde geleding verlevendigd door romaniserende lisenen en boogfriezen en tegen de klokkenverdieping door spitsboognissen met bakstenen traceringen.

Dwars zadeldak met wolfeinden; aan de oostzijde een uitgebouwde klokkenkoepeltje. Eikenhouten klokkenstoel, ca. 1400, met gelui van drie klokken, bestaande uit een klok van J. Moer, 1500, diam. 144 cm, en een klok van J. Waghevens, 1511, diam. 105,5 cm en een klok van W. van Wou, 1509, diam. 120 cm. In een dakruiter hangt een klok van een anonieme gieter uit de 14de eeuw, diam. ca. 56 cm. Mechanisch torenuurwerk, in 1965 voorzien van elektrische opwinding.

De toren is gerestaureerd in 1950 en volgende jaren.

Overige Informatie

Hallenkerk bestaande uit een driebeukig schip, een niet uitstekend transept en een driebeukige koorpartij, bestaande uit een polygonaal gesloten middenkoor en en twee rechtgesloten zijkoren. De kerk heeft haar huidige vorm in hoofdzaak in de 15de eeuw gekregen. De toren is ouder en kwam al in de 14de eeuw tot stand. Hij vertoont nog romaanse elementen. Meest opvallende kenmerk is het dwars geplaatste zadeldak met wolfeinden, een voor deze streken zeldzame torenbekroning. De kerk bevat weinig oud meubilair. De 17de eeuwse kansel komt van elders. Verder is er een epitaaf voor de wiskundige Rudolph Snellius (+ 1631), grondlegger van de driehoeksmeting.

Orgel

Het hoofdorgel (Rijksmonument) is in 1839-1840 gebouwd door de firma Kam & Van der Meulen (Rotterdam). In 1896 restaureert de firma Bakker & Timmenga (Leeuwarden) het. De firma J.C. Sanders & Zoon (Utrecht) vernieuwt in 1928 de Trompet 8' van het manuaal en levert een nieuw pedaalklavier. In 1965 restaureert Bakker & Timmenga de windladen en de windvoorziening. In 1994-1995 wordt door hen een algehele restauratie uitgevoerd.

Koororgel

Het koororgel is in 1862 gebouwd door E. Wadsworth te Manchester voor de Methodist Church te St. Aubin, Jersey. In 1886 wijzigt Alfred Oldknow (Londen) de dispositie, maakt een nieuwe lade voor het Swell Organ en een nieuwe klaviatuur. In 2008 wordt het orgel door I. Boogaard (Rijssen) en C. van Butselaar (Oudewater) gerestaureerd en in Oudewater opgesteld.

(bron: wikipedia)

6. Oudkatholieke kerk


In 1882 werd de Oud-katholieke kerk, Leeuweringerstraat 12, verbouwd in neo-romaanse stijl. De architect was C. van Wijngaarden uit Woerden. In hetzelfde jaar werd ook de kosterswoning, Leeuweringerstraat 14, verbouwd naar een ontwerp van de architect M.C. van Wijngaarden.

De Oud-katholieke St. Michaël en Johannes de Doper-kerk is sinds 1650 op deze plaats in de stad gevestigd, eerst in het huis dat nu de kosterswoning is en vanaf 1703 in het naastgelegen woonhuis, waar nu de kerk is. De eerste decennia op deze plek gingen niet van een leien dakje.

Rond 1640 waren er regelmatig problemen tussen de gereformeerde en de katholieke burgers van Oudewater. De gereformeerden stoorden zich aan de openlijke kerkdiensten van de katholieken. Katholieke bruiloftsgangers gingen in 1639 de Michaelskerk binnen en gooiden een kerkboek kapot. 

In 1643 werd het rustig. Er waren twee dingen gebeurd. Allereerst was dominee Johannes Lydius, een felle tegenstander van de katholieken, onverwacht overleden, waardoor de kerkenraad het druk had met zijn opvolging. Ten tweede was Nicolaas van der Hee benoemd tot priester van de katholieke gemeente in de stad. Nicolaas van der Hee kwam uit Polsbroek en stamde uit een familie die al lang in en rond Oudewater woonde. Hij was rijk, hij was een beminnelijk mens en hij zorgde voor de armen, kortom, hij was bij iedereen geliefd.

Enkele jaren na zijn komst in de stad kocht Van der Hee het huis Leeuweringerstraat 14. Het diende als woonhuis en als kerk. Van der Hee stierf tijdens de pestepidemie in 1673. Naar verluidt weigerde zijn collega-priester om de zieken in de buitenbuurten te bezoeken en deed hij dat wel.

Vijftig jaar na de aankoop was het huis in de Leeuweringerstraat bouwvallig geworden. De nieuwe pastoor, Joannes Chrysostomus Vijfhuizen, ging op zoek naar een ander pand en sprak daarover met de secretaris van Oudewater, Pieter Schrijver. Diens moeder was de Oudewaterse brouwersdochter Anna van Rodenburgh. De panden van de grootouderlijke brouwerij op de Hallebrug, 'de Witte Leeuw', leken hem wel wat voor de katholieke kerk. Tegenwoordig zijn deze panden bekend als Markt oostzijde 8 en 10 en de feitelijke brouwerij lag aan de Wijngaardstraat.

In 1700 verkocht Schrijver 'de Witte Leeuw' voor 1700 gulden aan pastoor Vijfhuizen. Maar de verbouwing van het interieur was nog niet van start gegaan, of het stadsbestuur verbood het gebruik van de panden als kerk. Secretaris Schrijver durfde het niet op te nemen voor de katholieke gemeente. Drie jaar lang waren stadsbestuur en kerkbestuur in discussie. De stadsbestuurders waren pertinent tegen een schuilkerk op zo'n prominente plaats in de stad. Maar na drie jaar begrepen zij ook dat de katholieke gemeente echt een ander gebouw nodig had. Op 9 augustus 1703 spraken vertegenwoordigers van de katholieke gemeente nog eens met het stadsbestuur. In de notulen van het stadsbestuur werd genoteerd: 'is 't zelve in consideratie (overweging) gehouden'. Er werd over nagedacht en vooral gezocht naar een elegante oplossing die geen gezichtsverlies zou veroorzaken. 

Anderhalve maand later bleek de oplossing te zijn gevonden. Op 22 september 1703 verkocht Cornelia Tromper, weduwe van dokter en burgemeester Nicolaas Mourick, haar huis Leeuweringerstraat 12 aan vertegenwoordigers van de katholieke gemeente. 

Het interieur van het huis werd verbouwd tot kerk en voorzien van een fraai altaarstuk en andere schilderijen. Niet voor niets werd deze kerk eeuwenlang aangeduid als de 'Herenkerk'. Het exterieur bleef dat van een woonhuis: tenslotte mochten gebouwen die gebruikt werden voor de katholieke eredienst tot 1795 niet vanaf de straat als zodanig herkenbaar zijn.


(Bron: netty stoppelenburg)

7. Sint Franciscus Kerk

De kerk werd tussen 1881 en 1882 gebouwd ter vervanging van een oudere en kleinere kerk uit 1803. De Sint Franciscuskerk werd ontworpen door Evert Margry, die een leerling van Pierre Cuypers was geweest. Margry ontwierp een driebeukige neogotische kruiskerk, met een pastorie. Margry ontwierp ook het hoofdaltaar en de altaren in de zijkapellen. Veel van het overige interieur, waaronder de Kruiswegstatie, is ook afkomstig uit zijn atelier.

De Sint Franciscuskerk heeft een toren van 60 meter hoog. De kerk is 14,8 meter hoog, 54 meter lang en inclusief het schip en de zijbeuken 19,5 meter breed. De kerk wordt overdekt door stenen kruisribgewelven. Het interieur is vrijwel geheel beschilderd.

De kerk werd op 6 september 1882 in gebruik genomen en werd gewijd aan Franciscus van Assisi. De kerk is tot op heden in gebruik bij de Parochie Sint Franciscus van Assisi.

8. Kasteel te Vliet

In het grensgebied van Utrecht en Holland stonden in de middeleeuwen diverse kastelen op de zuidelijke oeverwal van de Hollandse IJssel. De graaf van Holland en de bisschop van Utrecht versterkten hun territorium met hulp van leenmannen, die grond en rechten kregen. Zo ontstonden de kastelen bij IJsselstein, Montfoort, Haastrecht en hier bij Oudewater in de polder Vliet. De oeverwal was hoog en er was voldoende klei voor bakstenen.

Op deze plaats stond het Kasteel Te Vliet. Het muurfragment van rode kloostermoppen, ca 9,5 meter hoog en 1,35 meter dik, is een overblijfsel van de donjon, de woontoren. Het staat op een kasteeleiland.

Kasteel te Vliet werd waarschijnlijk gesticht door Gerrit van den Vliet, een broer van Herman VI van Woerden( 1274-1304), die betrokken was bij de moord op Floris V in 1296.

Waarschijnlijk is Kasteel te Vliet na de inname van Oudewater in 1575 ontmanteld, omdat de vijand zich hierin kon verschansen. In 1646 was het kasteel al een ruïne.

9. Weeghuisje en weegbrug

Aan de noordwestzijde van het Arminiusplein gelegen weegbrug met weeghuisje, ontworpen omstreeks 1930. De brug heeft een relatie met de scheepvaart op de Hollandse IJssel. De weegbrug diende om -op wagens- ladingen te wegen die van schepen kwamen of ingescheept zouden worden. Omschrijving De ten noordwesten van het Arminiusplein geplaatste WEEGHUISJE met WEEGBRUG. Het weeghuisje is opgetrokken op een vierkante plattegrond, telt één bouwlaag onder een met rode Hollandse pan gedekt tentdak. Op de nok staat een terra-cotta piron. Rondom is een goot gezet. Aan de rechter zijgevel is een tweelichts venster met luiken. In de linkerzijde bevindt zich een deur. Venster en deur hebben een gemetselde strek aan de bovenzijde. In het interieur bevindt zich het meetinstrumentarium. De weegbrug bestaat uit een houten oprijvloer, gevat in een stalen frame. De bediening van het weeginstrument vindt plaats vanuit het weeghuisje. Waardering Weeghuisje met weegbrug, van algemeen belang vanwege architectuurhistorische waarde als vrij zeldzaam en redelijk gaaf voorbeeld van een weegbrug met weeghuisje uit de periode rond 1930. Van cultuurhistorische waarde als voorbeeld van een historisch/economische ontwikkeling op het gebied van de handel en transport (tol/belastingheffing).

Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

10. Theekoepel

 

Aan de IJsselkade gelegen theekoepel, opgetrokken omstreeks 1880 in een voormalige tuin, gelegen achter een dijk van de Hollandse IJssel. De koepel werd vroeger de `koepel van Aelst' genoemd en is gelegen op een door sloten omgeven kunstmatig verhoogd eilandje. Door de verhoging kon men vanuit de koepel over de dijk uitzicht op de rivier hebben. 

Omschrijving

De op een kunstmatige verhoging aan de Hollandse IJssel gelegen theekoepel is op een achthoekige plattegrond opgetrokken in hout en telt één bouwlaag onder een rietgedekt toelopend koepeldak met loden spits. De overstekende kap is voorzien van een omlopende gezaagde rand. De koepel staat op een gecementeerd bakstenen fundament. De witgeschilderde houten wanden bestaan grotendeels uit openslaande paneeldeuren met glas en luiken. Erboven zijn vaste bovenlichten met roedenverdeling geplaatst. Aan de noordoostzijde is tegen de koepel onder het overstek een aanbouwtje gezet.

Het interieur van de koepel bestaat uit een achthoekige ruimte. In de aarden verhoging bevindt zich een kelder.

(bron: rijksmonumenten.nl)

 

11. Sigarenfabriek gebr. Montijn

 In 1846 kochten de broers Jan Adriaan en Pieter Marie Montijn  het oude huis op de hoek van de Korte Havenstraat en de Visbrug dat bekend stond onder de naam ‘het Hooft vol Muijsenesten’. Jan Adriaan en Pieter Marie - 25 en 24 jaar oud - waren de zonen van burgemeester Adriaan Maarten Montijn, die op zijn beurt weer een zoon was van de beroemde patriot Johannes Justus Montijn. Johannes Justus was in de franse tijd ‘maire’ van Oudewater geworden en deed het zo goed, dat hij na het vertrek van Napoleon gewoon aan mocht blijven. Het ouderlijk huis van de broers, gebouwd door hun grootvader, stond schuin tegenover hun nieuwe aankoop, op de hoek van de Oude Huygensteeg waar nu ‘de Klepper’ staat. Jan Adriaan verdiende de kost als koopman, Pieter Maria was met zijn 24 jaar al burgemeester: van Oukoop.

De gebroeders Montijn verbouwden ‘het Hooft vol Muijsenesten’ tot een fabriek voor snuif en sigaren. Snuif – fijngemalen tabak – werd in kleine hoeveelheden ‘gesnoven’, niet alleen door heren maar ook door dames. Hoewel hun fabriek bepaald niet de enige leverancier van tabakswaren in Oudewater was, liepen de zaken zo goed dat in 1864 het buurpand erbij werd gekocht. Het werd voorzien van een gevel in identieke stijl: een industrieel neo-renaissance paleisje. De achtergevel langs de haven werd in de modernisering niet meegenomen: dat bleef de zeventiende-eeuwse bakstenen gevel. Pieter Marie Montijn had zich inmiddels teruggetrokken uit het bedrijf.

De sigarenfabriek van Montijn was niet bepaald de eerste in Oudewater.  Jan Putman, die aan het einde van de achttiende eeuw in Oudewater was komen wonen, had in de Wijdstraat al een tabaksimperium gevestigd. Zijn bedrijf werd zelfs met een koffiebranderij uitgebreid. Na het overlijden van Jan namen zijn zonen en later zijn kleinzonen het bedrijf over. In 1909 nam Johannes Jacobus Josephus Putman de sigarenfabriek van Jan Adriaan Montijn over. 

In 1919 kocht Johanna Theodora Maria de Veen-Meijer het pand. De fabriek werd verbouwd tot winkel en woonhuis. De twee bogen in de gevel langs de Visbrug werden vervangen door een deur met een breed vitrinevenster. Antonius de Veen had hier zijn kapperszaak. Zijn vrouw verkocht eerst toiletartikelen en speelgoed, later ook huishoudelijke artikelen. In 1963 nam Hendrika Wilhelmina Verroen de winkel over. Zij was een dochter uit het eerste huwelijk van de vorige eigenares. Onder de naam ‘De Veen’ zette zij de winkel in huishoudelijke artikelen en speelgoed voort tot 1980.

Tegenwoordig is in de vroegere sigarenfabriek een reisbureau gevestigd.

12. Huis stal en koetshuis van de familie Lorentz

Achterkant woonhuis / apotheek

Theodorus Appolonius Ninus Lorentz was in 1820 in Bleskensgraaf geboren en al jong naar Nederlands-Indië vertrokken. Hij vestigde zich uiteindelijk als tabaksplanter en trouwde de veel jongere Maria Soet. Maria was zelf geboren in Padang en was mogelijk voor haar huwelijk nog nooit in Nederland geweest. Het echtpaar kreeg in Nederlands-Indië zes kinderen: vijf meisjes en één jongen.

In maart 1869 kocht Lorentz het pand dat tegenwoordig bekend is als Leeuweringerstraat 11, waar nu de wereldwinkel is gevestigd. Het gezin woonde toen nog in Adjoen op Java. In datzelfde jaar regelde hij ook de aankoop van de drie buurpanden, waaronder het nog bijna middeleeuwse huis Leeuweringerstraat 17. Leeuweringerstraat 11 bleef vrijwel onveranderd, maar de andere drie panden werden gesloopt en één voor één vervangen door een groot complex van woonhuis, stal en koetshuis. 

Leeuweringerstraat 11 moet het territorium van de bedienden zijn geweest: tot ver in de twintigste eeuw was hier in het souterrain de keuken.

Op de foto uit 1869 is in het midden het nieuwe woonhuis te zien, rechts daarvan is een muurtje gebouwd met een boog en rechts daarvan staat het pand Leeuweringerstraat 17.

Op 16 maart 1871 werd het gezin ingeschreven in Oudewater. Van tabaksplanter was Lorentz handelaar in Indische tabakken geworden. De drie oudste meisjes vertrokken nog diezelfde maand naar een kostschool in Rijswijk. Op 18 september 1871 werd in Oudewater Hendrikus Albertus Lorentz geboren.

 Op 4 april 1873 vertrok de familie Lorentz naar Brussel. Een jaar later werden Leeuweringerstraat 11 en 13 verkocht aan de apotheker Fokke Jonker Idenburg. Leeuweringerstraat 15 en 17 werden verkocht aan Gijsbert van der Lee en Evert Cornelis Langerak, die het complex lieten verbouwen tot twee woonhuizen. In 1880 verkochten zij beide panden aan Pieter Buys, de directeur van het postkantoor, die de panden liet verbouwen tot postkantoor.

Hendrikus Albertus Lorentz promoveerde in Utrecht in 1900 als doctor in de rechtswetenschappen. Via zijn contacten binnen de Universiteit van Utrecht raakte Lorentz betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van wetenschappelijke expedities in onbekende gebieden van Nieuw-Guinea. De eerste expeditie waar hij aan deel nam, in 1903, stond onder leiding van prof.dr. C.E.A. Wichmann. Lorentz ging mee als assistent zoölogie. Hij publiceerde over deze reis ‘Eenige maanden onder de Papoea’s’, dat in 1905 verscheen.

In 1907 had hij de leiding over een expeditie die tot doel had om door te dringen in het centrale bergland aan de zuidkust van Nieuw-Guinea. De bergen werden bereikt via de Noordrivier, die later de ‘Lorentzrivier’ genoemd zou worden. Na de overdracht van Nederlands Nieuw-Guinea aan Indonesië werd de naam veranderd in Undir. De expeditie werd voortijdig afgebroken door tropische ziekten. In 1909 werd een nieuwe poging ondernomen om in het bergland door te dringen, opnieuw onder leiding van Lorentz. Ditmaal bereikte hij de ‘Wilhelminatop’.

Lorentz publiceerde, naast diverse artikelen en wetenschappelijk publicaties, de boeken ‘Eenige maanden onder de Papoea’s’, over zijn eerste reis (1905), en ‘Zwarte menschen, witte bergen’ (1913). Het Lorentz Nationaal Park draagt nog steeds zijn naam, in het Indonesisch: Taman Nasional Lorentz.

In 1913 aanvaardde Lorentz de functie van aspirant vice-consul bij de diplomatieke dienst. Hij werkte op het consulaat in Kopenhagen en later in Kaapstad. Van 1921 tot zijn pensioen in 1937 verbleef hij in Pretoria. Hij sloot hier zijn carrière af als buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister.

Lorentz overleed in 1944 in Klerksdorp, Zuid-Afrika. Zijn archief, met voornamelijk stukken over de expedities in Nieuw-Guinea, wordt bewaard in het Nationaal Archief. Foto’s van de expedities van 1903 en 1909 met diverse verslagen en artikelen bevinden zich in het archief van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap, dat wordt bewaard in Het Utrechts Archief.

© Nettie Stoppelenburg

13. Ijselveere, bewoning en vestingwerken

binnenkort meer