Venster 35       1821-1880 Sloop van de vestingwerken

Eén van de eerste beslissingen van de regering van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden was de aanleg van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, ten oosten van Utrecht. De Oude Hollandse Waterlinie kon worden ontmanteld: Oudewater was vesting-af. In 1821 verkocht de Staat de vier poorten aan Oudewater. Oudewater betaalde fl. 1050,=. De IJsselpoort met de Hoofdwacht was het duurst: driehonderd gulden.

In 1826 kocht Oudewater ook de wallen en de verdedigingswerken buiten de poorten aan, voor in totaal fl. 500,=. De wallen brachten in ieder geval jaarlijks geld op: de grond werd verpacht voor spinpaden en lijnbanen maar ook voor de opbrengst van het gras. De wallen mochten niet worden gesloopt. Verlaging was toegestaan mits de afgegraven grond in de directe omgeving werd gestort, zodat de wallen in geval van nood weer snel verdedigbaar konden worden gemaakt. De grond mocht dus niet worden verkocht. Maar het gemeentebestuur kreeg uiteindelijk wel geld binnen door de verkoop van de voormalige vestingwerken aan ondernemers als industriegebied. Bovendien werden op de vestingwerken buiten de Waardpoort twee kerkhoven aangelegd.

In 1855 werd besloten om de poorten af te breken. De Broeckerpoort en de Waardpoort werden nog in dat jaar gesloopt. Aan het onderhoud was de laatste decennia weinig meer gedaan en de poorten waren vervallen. Het Departement van Oorlog had toestemming verleend voor de afbraak. De afbraak van de IJsselpoort werd aanbesteed met een heleboel voorwaarden voor de afwerking van de fundamenten. Uiteindelijk werd de IJsselpoort, net als de Linschoterpoort, in 1857 afgebroken.

In 1856 kregen burgemeester en wethouders van Oudewater toestemming om de Goudse en de Utrechtse Boom af te breken. Deze ‘bomen’ waren bruggen over de Hollandse IJssel die deel uitmaakten van de wallen. ’s Nachts werd de toegang afgesloten met een ‘boom’ of hek. Voor Oudewater waren deze bruggen een grote belemmering voor de scheepvaart, net als de ‘Josefsbrug’, een stenen boogbrug die lag waar nu de Cosijnbrug ligt.

In 1855 werd met het Rijk overeengekomen dat de Josefsbrug vervangen zou worden door een beweegbare brug. Dit gebeurde in 1860. De ophaalbrug is bekend geworden als de ‘Cosijnbrug’, genoemd naar de bouwer. Tijdens de bouw van deze brug was IJsselveere toegankelijk via een houten noodbrug die lag op de plek van de Utrechtse Boom. Voor het bedienen van de brug werd een brugwachter benoemd.

De wallen bleven langer staan dan de poorten. Pas in de periode 1870-1880 werden de wallen geheel afgegraven als een project voor werkelozen. Bij dit afgraven kwamen ook resten van de middeleeuwse stadsmuren tevoorschijn: deze werden gesloopt.

Literatuur:

Johan Schouten, ‘Oudewaters karakteristiek in verleden en heden’, in: A.W. den Boer en Johan Schouten, Oud-Oudewater. 1965

Nettie Stoppelenburg, ‘Over de poorten van Oudewater’, in: Heemtijdinghen, 2015 nr. 1

 

Venster 36       1854 Kunstenaars op bezoek 

In de negentiende eeuw bezochten diverse kunstenaars Oudewater, zoals Cornelis Springer, Willem Koekkoek, Jan Weissenbruch, J.C.K. Klinkenberg en anderen. Het begon allemaal met de komst van Evert Rahms (1823-1907).

Eberhard Cornelis ('Evert') Rahms werd op 14 september 1823 in Rotterdam geboren. Zijn vader was bakker, maar Evert had geen aspiraties om hem op te volgen. Hij was kunstzinnig aangelegd en volgde lessen bij het schilderkundig genootschap Genootschap 'Hierdoor tot Hoger' en bij 'Arti Sacrum'. Daarnaast had hij ook schilderles genomen bij de kunstschilder J.H. van de Laar. In 1845, nog voordat hij zijn diploma kreeg uitgereikt, werd Evert Rahms door het overlijden van zijn vader gedwongen om de bakkerszaak over te nemen. Enkele jaren na zijn huwelijk verhuisde Rahms naar Oudewater. Hij nam een bakkerij aan de Leeuweringerstraat over, het huidige pand nr. 40.

In Oudewater begon Rahms al snel te tekenen. Hij koos daarbij vooral voor topografische onderwerpen, zoals de stadspoorten, straatgezichten, gevels van oude huizen, de molens van Hoenkoop en de Vrouwenbrug over de Linschoten. Rahms gebruikte sommige tekeningen als basis voor etsen: de molen van Hoenkoop is een bekende ets. Van het schilderij van de Oudewaterse Moord maakte hij in 1857 een litho.  Met Van Zijll, A.C. van Aelst en waarschijnlijk ook diens neef Gijsbert van der Lee (1919-1903) vormde Rahms een soort van historische kring. De heren werkten samen bij hun publicaties.

In 1860 begon Rahms aan de overzijde van de straat, in het huidige huis Leeuweringerstraat 23, een boekhandel, antiquariaat en drukkerij. Hij adverteerde met 'rouw- en trouwwerk, kerk- en huisbijbels, orgel- en pianomuziek, schrijfbe­hoeften en kantoorboeken'. In deze tijd schafte Rahms een camera aan en begon hij te fotograferen. Al snel kon hij in de fotografie het grootste deel van zijn creativiteit kwijt en kwam tekenen op de tweede plaats. In zijn winkel verkocht Rahms foto’s en prentbriefkaarten van zijn foto’s.

De aanwezigheid van Rahms trok ook andere kunstenaars naar Oudewater. Rahms was bevriend met Cornelis Springer (1817-1891), die zich specialiseerde in Hollandse stadsgezichten.

Springer tekende diverse straten en huizen in Oudewater. Hij verwerkte details van deze tekeningen in zijn schilderijen, die variëren van niet-helemaal waarheidsgetrouw tot samengesteld uit delen uit verschillende stadjes. In sommige tekeningen van Rahms is de invloed van Springer te herkennen in de wijze waarop hij bomen tekende.

Andere kunstenaars die in Oudewater werkten, zijn Willem Koekkoek (1839-1895), Jan Weissenbruch (1822-1880), Johannes Christiaan Karel Klinkenberg (1852-1924), Jan Elias Kikkert (1843-1925) en Jacobus van Gorkum jr. (1827-1880).

 

Venster 37       1855 Opening spoorlijn

Op 3 juli 1845 werd in Utrecht de Nederlandsche Rhijnspoorweg-maatschappij (NRS) opgericht, als opvolger de Rijnspoorweg, de maatschappij die de lijn Amsterdam-Arnhem aanlegde. In dat jaar had de NRS de concessie gekregen voor de aanleg van de lijn Utrecht-Rotterdam. Deze lijn liep langs Oudewater en opende in 1855. ‘Station Oudewater’ lag in Papekop.

In 1848 begon de aankoop van land in de Ruige Weide, Papekop en Diemerbroek. De voormalige eigenaren kregen recht van overpad om het land aan beide zijden van de spoorlijn te kunnen bereiken. Er werden dus veel overwegen aangelegd voor vee en landbouwverkeer, die wel allemaal afgesloten moesten kunnen worden.

De aanleg van een spoorlijn over veengrond met de nodige waterlopen verliep niet snel. Nog in 1853 werd een overeenkomst gesloten over de aanleg van vier bruggen. In 1855 opende de lijn, eerst het stuk Utrecht-Gouda en later dat jaar Gouda-Rotterdam. Op 21 mei opende het station Oudewater. Het houten stationsgebouw had tijdens de bouw gefunctioneerd als directiekeet. Niet alle treinen stopten in Oudewater. De spoorbaan, die op de veengrond voortdurend onderhoud vergde, was op dat moment een enkele spoorbaan met normaalspoor, een spoorbreedte van 1435 mm. In 1867 werd al besloten dat de spoorbaan moest worden verdubbeld. Opnieuw moest grond worden aangekocht. Vanaf 1890 werden de lijnen van de Rhijnspoorweg-maatschappij overgenomen door de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen (SS). De spoorwegmaatschappijen boden veel werk. Op elke station was een stationschef gestationeerd die in een bedrijfswoning woonde. Bij elke overweg van een openbare weg was een overwegwachter nodig, die de bomen sloot. De wissels en seinen werden handmatig bediend vanuit de seinhuizen. Het onderhoud van de spoorlijnen gebeurde met de hand en zeker voor regio’s met een slappe bodem was veel onderhoud nodig.

Voor Oudewater was het station niet echt gemakkelijk bereikbaar. Verkeer van en naar het station moest over de Brededijk en de Papekopperdijk, wat voor de gemeentes Oudewater en Papekop extra onderhoudskosten met zich meebracht. Stalhouder D. Boer verzorgde met een omnibus de verbinding met het station, maar moest soms takkenbossen meenemen om de kuilen in de weg op te vullen. In 1904 besloot het stadsbestuur van Oudewater dat er een betere verbinding naar het station moest komen: een paardentram. De Papekopperdijk moest worden aangepast met ‘wijkplaatsen’ waar de tram het andere verkeer kon passeren. De eerste exploitant was de heer D. Boer.

In 1895 opende de Halte Hekendorp, bij kilometerpaal 25.100 aan het einde van de Opweg bij de Langeruigeweidsedijk. In de directe omgeving van Halte Hekendorp lagen drie overwegen op korte afstand van elkaar: bij de halte, ten oosten daarvan bij de zogenaamde ‘Scheve Overweg’ en ten westen in Oukoop. Het baarde de gemeente de nodige zorgen en er zijn ook diverse ongelukken op deze overwegen gebeurd.

Inmiddels had de heer G.L. Geuting in 1921 de pacht van de paardentram naar het station overgenomen, na enkele pachters die het hetzij onvoldoende vonden opleveren hetzij er een potje van maakten. Na het overlijden van de heer Geuting nam zijn weduwe de pacht over. Vanaf 1932 liet zij de dienst met autobussen rijden.

Station Oudewater en Halte Hekendorp sloten voor personenvervoer per 15 mei 1936. Oudewater bleef nog tot 1969 goederenstation.

Literatuur:

C.J.W. Gravendaal, ‘Spoorweg Utrecht-Rotterdam 125 jaar geleden geopend’, in: Heemtijdinghen 1980

R.A.J. Hamoen, ‘Het spoorwegplan Dordrecht-Woerden van 1911’, in: Heemtijdinghen 1983

Wout van Kouwen, De Oudewaterse paardentram, in: De IJsselbode, 31 oktober 2006

 

Venster 38       1862 Oprichting rederij Estafette

In 1862 kreeg Jan Adriaan Montijn toestemming om een schroefstoombootdienst tussen Rotterdam en Utrecht te onderhouden. Deze stoombootdienst kreeg de naam ‘Estafette’. De stoomboten hadden vaste aanlegplekken aan de Noord-IJsselkade en aan de West-IJsselkade. In 1900 werd de dienst uitgevoerd met vijf schepen, de Estafette 1, 2, 3 en 4 en de Kleine Estafette. Het aantal schepen werd later nog uitgebreid.

Tussen 1856 en 1860 waren de boogbruggen over de Hollandsche IJssel afgebroken. De Goudse en de Utrechtse boom, beiden onderdeel van de vestingwerken, verdwenen. De Josephsbrug werd vervangen door een ophaalbrug, tegenwoordig bekend als de Cosijnbrug. In dezelfde tijd werd de Hollandsche IJssel uitgediept, verbreed en op enkele plaatsen gekanaliseerd, zoals bij ‘het Vette Varken’ in Roosendaal. In de oude binnenstad werden de kades langs de rivier hierdoor iets smaller. Het betekende wel dat grotere schepen Oudewater konden passeren.

De scheepvaart was tot ver in de twintigste eeuw belangrijk. Beurtschippers, zoals Snelleman en Fritschy, voeren regelmatig diensten op diverse grote steden. In opdracht van grote bedrijven zoals de olieslagerij Verloop werden veel grondstoffen en producten per schip vervoerd. Zo vervoerde schipper Van Dam lijnzaad voor de firma Verloop uit Rotterdam naar Oudewater. In 1910 kocht Leffert Kuik de ‘Soli Deo Gloria’ om in Drenthe turf te halen. Dit was een zeilschip dat op het smalle deel van de Hollandsche IJssel bij IJsselstein zelfs werd gejaagd.

In een lijst van 1927 worden diverse firma’s en hun schepen opgesomd. De firma gebroeders De Ruwe voer met de ‘De Drie Provinciën’ naar Amsterdam en verder. De firma Snelleman ging met de Catharina Francina op en neer naar Rotterdam. De firma van P. Fritschy had drie schepen en voer op Utrecht, Alphen, Amsterdam en Wormerveer. De gebroeders Vreeswijk voeren met twee schepen op de route Rotterdam-Utrecht. Daarnaast was er nog de N.V. Veetransport die met twee schepen vee vervoerde tussen Rotterdam en Utrecht.

 

Venster 39       1880 Moderne industrie

De negentiende eeuw bracht de industrialisatie. Er waren nog steeds kleine bedrijfjes, maar gas en stoom zorgden voor schaalvergroting. Met name op de oude vestingwerken van Oudewater ontstonden veel nieuwe industriële bedrijven. In 1880 ging het oudste bedrijf van Oudewater over op stoomenergie èn werd de olieslagerij van de firma Verloop opgericht.

In de negentiende eeuw waren al diverse tabaksfabriekjes ontstaan in Oudewater. De firma Putman had het grootste bedrijf en breidde zelfs uit met een koffiebranderij. In 1846 kochten de broers Jan Adriaan en Pieter Marie Montijn het pand op de hoek van de Korte Havenstraat en de Visbrug aan en verbouwden dit tot fabriek voor snuif en sigaren. In 1864 breidde het bedrijf uit met het buurpand. Het is het enige negentiende-eeuwse fabriekspand in de binnenstad van Oudewater.

Het vroegere weeshuis werd in 1869 verbouwd tot gasfabriek. Hier werd ‘stadsgas’ opgewekt door het stoken van kolen. De gasfabriek bleef in gebruik tot in de twintigste eeuw Oudewater werd aangesloten op aardgas.

In 1872 werd op één van de lunetten van IJsselveere de machinefabriek De Jongh & Co opgericht, later bekend als Machinefabriek ‘De Hollandsche IJssel’. De oprichter, Gerrit Johan Wilhelm de Jongh (1843-1913), had in zijn eerdere carrière gezien hoe belangrijk emmerbaggermolens waren geweest voor de aanleg van de Nieuwe Waterweg. Zijn fabriek richtte zich vanaf het begin op de bouw van baggermolens en had daarvoor een lokatie langs het water nodig, die in Oudewater werd geboden.

Ook buiten de stadskern Oudewater was de industrialisatie en de overgang naar nieuwe energiebronnen merkbaar. Veel watermolens werden vervangen door stoomgemalen. In 1871 werd het gemaal ‘Benschop’ aan de Damweg gebouwd. In 1875 werd naar ontwerp van J. Goldberg het gemaal ‘De Volharding’ aan de Zuid-Linschoterzandweg gebouwd. In 1880 werd het gemaal aan de Noord-Linschoterzandweg gebouwd. In 1882 volgde het gemaal Willeskop, ter vervanging van vier windmolens.

Van alle touwslagersbedrijven in Oudewater was alleen het bedrijf van de familie Van der Lee in omvang gegroeid. Het was gevestigd in 4-5 baanschuren langs de Biezenwal, strekkend van de Schutterstoren tot aan de voormalige Broeckerpoort over en langs de oude stadswal. Gijsbert van der Lee besloot in 1880 dat hij een stoommachine wilde installeren maar binnen de bebouwde kom was dat niet toegestaan. Om die reden bouwde hij zijn nieuwe fabriek in Klein-Hekendorp, op een perceel dat al generaties lang eigendom van de familie was. Het ging om een lange overdekte touwbaan met aan het einde de stoommachine. Na enkele jaren werd vooraan de baan een nieuw machinehuis gebouwd.

Ook in 1880 begon Hendrik Willem Verloop een olieslagerij op IJsselveere. Bij de aankoop van de grond, samen met zijn broer Johannes Verloop, wordt hij al genoemd als gepatenteerd olieslager te Utrecht en hij kocht de grond dan ook met de bedoeling hier een stoomolieslagerij te bouwen. Verloop had eerder een windoliemolen in Jutphaas gehad: een tegeltableau van deze molen werd later in de fabriek in Oudewater aangebracht. In de olieslagerij werd lijnzaad verwerkt tot olie voor zeep en verf. In 1917 werd de fabriek gemoderniseerd. In de jaren ’50 van de twintigste eeuw werd het bedrijf overgenomen door de margarinefabriek Brinkers en werd hier copra verwerkt. De olieslagerij is in miniatuur nagebouwd door Gerrit Stuart (1884-na 1965) die hier van 1952 tot 1959 aan werkte. Het model is in 1965 tentoongesteld en is tegenwoordig in Zwolle te zien.

In 1904 nam Johannes Philippus Six de oude grutterij van Dirk van Ingen over. Deze grutterij, op de hoek van IJsselveere en de Westerwal, dateerde al van rond 1600. Six breidde binnen enkele jaren uit met een deel van de oude barakken en begon hier met de productie van veevoer.

 

Venster 40       1882 Katholieke emancipatie

In 1882 werden de nieuwe katholieke St. Franciscuskerk en de verbouwde oud-katholieke St. Michaëlskerk ingewijd. Na drie eeuwen hadden de katholieken van Oudewater weer de beschikking over indrukwekkende echte kerkgebouwen.

In de Franse tijd werden alle religies gelijk gesteld. Voor het eerst sinds twee eeuwen mocht een katholieke kerk nu vanaf de straat herkenbaar zijn.

In 1806 bouwde de parochie van het Heilig Leven een nieuwe kerk, naast het huis dat al ca. 150 jaar als schuilkerk in gebruik was. Volgens de nieuwe Franse wetgeving mochten er ook geen doden meer begraven worden in de kerkge­bouwen. Gedurende de zeventiende en achttiende eeuw waren alle doden in en rond de St. Michaëlskerk begraven, ook katholieken. De katholieke gemeente brak de voormalige schuilkerk op de hoek van de Kapellestraat en het Heilig Leven plus het buurhuis af en legde hier een begraafplaats aan. In de loop van de negentiende eeuw werd het kerkje aan het Heilig Leven te klein. De statie was in 1860 formeel verheven tot een parochie. Vanaf 1869 begonnen de parochianen te sparen voor een nieuw kerkgebouw. Op 7 juli 1880 werd het voormalige hotel 'de Doelen' aange­kocht. Het werd gesloopt, net als het naastgelegen pastoorshuis. De eerste steenlegging van de St. Franciscuskerk vond plaats op 5 mei 1881 door deken Jacobus Josephus Putman uit Utrecht. Er werd een nieuwe kerk gebouwd naar ontwerp van de architect Everhardus Johannes Margry.

In 1856 begon de katholieke onderwijzer P.H. Seuter een school in een huis in de Leeuweringerstraat. Dat was één jaar voor de schoolwet van 1857, waarin vrijheid van godsdienst werd gegarandeerd maar waarin de overheid ook bepaalde dat er geen financiële steun gegeven werd aan confessionele scholen. De school van Seuter zou uiteindelijk uitgroeien tot de St. Franciscusschool, een katholieke jongensschool.

In 1857 werd het huis Havenstraat 16 voor 5000 gulden aangekocht door Johannes Putman namens de katholieke kerk. Het werd een nonnenklooster. In 1887 verhuisden de zusters naar de Kapellestraat, naar het nieuwe klooster wat daar voor hen was gebouwd. Dit nieuwe kloostercomplex is gebouwd in 1887 naar ontwerp van Everhardus Johannes Margry in de stijl van de neoren­aissan­ce. In het St. Franciscusgesticht woonden nonnen, er was een bejaardenhuis, er was een kostschool voor meisjes en er was een dagschool voor meisjes.

 

Venster 41       1924 de bus

Op 3 mei 1924 richtte Aart Zanen samen met J. Jansen Pels de ‘Eerste Oudewaterse Autobusdienst’ op. Meneer Pels was de geldschieter, Aart Zanen deed het werk. De bus reed tussen Oudewater en Utrecht. Op de route naar Utrecht reed ook Anthoon Stam, vanaf Oudewater, en P.J. van Rossum, vanaf Montfoort. De onderlinge concurrentie was zeer groot. De bussen reden over de zuidelijke IJsseldijk, door Willeskop. Voorheen was de Waardsedijk de belangrijkste weg langs de IJssel geweest. In de richting van Gouda was dat Hekendorp. Omdat de bussen de zuidelijke IJsseldijk gebruikten, werd deze verbreed en gemoderniseerd en veranderde van een smal boerenweggetje in een provinciale weg.

De verbinding met Gouda was 26 december 1883 onderhouden door een stoomtram van de ‘IJsel Stoomtramweg Maatschappij’. Deze tram ging via een draaibrug aan het begin van de Hekendorpse Buurtweg de IJssel over en via de Tramweg naar de zuidelijke IJsseldijk. Via Haastrecht ging het dan naar Gouda. De stoomtram legde het af toen er eenmaal voorzien was in een goede verbinding met het station in Papekop. Op 7 augustus 1907 werd de dienst van de stoomtram gestaakt. Enkele jaren later zou de verbinding Oudewater-Gouda opgepakt worden door Bertus Blom met zijn ‘Eerste Haastrechtsche Autobusonderneming’.

In 1929 werd een bestek gemaakt voor het verbreden en verharden van de weg tussen Oudewater en Montfoort. De bovenlaag bestond uit stenen van graniet. Bij deze wegverbetering werd een aantal bochten uit de weg gehaald. Zo ontstond de ‘Oudeweg’ en binnen Oudewater onstond zo de ‘Oude Utrechtsestraatweg’. In 1931 werden langs de weg Oudewater-Montfoort fietspaden aangelegd waarvoor een bedrag van f. 38.500,- beschikbaar was. De stenen voor deze fietspaden kwamen van de Steenfabriek N.V. Montfoortsche Waalsteenfabriek v/h gebr Wiegerinck.

In 1937 kocht Aart Zanen de concessie van Van Rossum en in 1938 die van Stam. In 1938 verhuisde de familie Zanen naar het pand Provincialeweg – nu Utrechtsestraatweg -  27. Achter het huis was de garage, waar vier bussen inpasten. De bushalte was in eerst instantie voor de deur, aan de Utrechtsestraatweg. Later verhuisde de halte naar IJsselveere. Het woonhuis van de familie Zanen fungeerde ook als kantoor en kantine.

In 1942 verplichtte de bezetter de autobusdiensten Oudewater-Utrecht en Oudewater-Gouda om te gaan fuseren. De nieuwe naam werd ‘Verenigde Autobusdiensten Gouda-Utrecht v.v. v.h. Blom & Zanen’. Rijden in oorlogstijd bleek uiteindelijk niet mogelijk, onder andere door vordering van de bussen. Vanaf ‘Dolle Dinsdag’ werd de busdienst gestaakt. In augustus 1945 werd weer begonnen met omgebouwde Engelse brandweerwagens  - ‘Bellewagens’ - en vrachtwagens. Maar opnieuw was de concurrentie heftig, zodat nog datzelfde jaar met enkele andere kleine busbedrijven in de Lopiker- en Krimpenerwaard het samenwerkingsverband ‘De Valk’ werd aangegaan. Op 15 oktober 1947 ging de VAGU met  nog twaalf andere kleine busbedrijven het samenwerkingsverband Coördinatie Autovervoer Personen (C.A.P.) aan om de marktpositie te versterken. De bussen van de maatschappijen die in het C.A.P. verenigd waren, gebruikten de kleuren crème en blauw voor de bussen. De VAGU handhaafde deze kleuren tot 1973.

Met ingang van 1 januari 1986 ging de VAGU over in handen van busmaatschappij ‘West-Nederland’.

Literatuur:

R.G. Klomp, ‘Nog eenmaal ‘rijdt’ hier Oudewaters gemeentetram’, artikel uit ‘Op de rails’, overgenomen in de Goudsche Courant van 28 september 1963

Wout van Kouwen, De VAGU: een Oudewaters familiebedrijf’: FF Zappen, De IJsselbode, 28 februari 2012

Jacques Zanen, ‘Die ploeg chauffeurs hier, dat is een ploeg met karakter!’, in: Bedrijvigheid toen, deel 2, uitgave van de Geschiedkundige Vereniging Oudewater.

 

Venster 42       1925 Herman de Man publiceert ‘Het Wassende Water’

Salomon Herman (‘Sally’) Hamburger (11 juli 1898, Woerden – 14 november 1946, Schiphol) is bekend geworden onder zijn schrijversnaam ‘Herman de Man’. Sally Hamburger was de zoon van een Joodse koopman. Zijn ouders hadden een manufacturenwinkel in Woerden. In 1902 verhuisde het gezin naar Polsbroekerdam, in 1906 naar Benschop. In 1910 volgde de verhuizing naar Oudewater. Sally bezocht hier de ULO en hielp zijn vader in de winkel. Samen met zijn vader trok hij met koopwaar door de Lopikerwaard. De verhalen die hij tijdens deze tochten hoorde, werden later de inspiratiebron voor zijn streekromans. In 1916 verhuisde het gezin naar Gouda. Vader Hamburger begon een zaak in tweedehands spullen en Sally handelde in boerenantiek. Wegens dienstweigering – hij was pacifist – zat hij van 1918 tot 1920 in de gevangenis. Na zijn vrijlating vond hij werk als journalist. Voor het eerste gebruikte hij het pseudoniem ‘Herman de Man’. In 1924 trouwde hij met Eva Kalker. Zijn vrouw was Joods, maar zou zich uiteindelijk, net als Sally, bekeren tot het katholicisme. Hun huwelijk was niet gelukkig, maar er werden wel zeven kinderen geboren.

Inmiddels waren de eerste streekromans van Herman de Man gepubliceerd: ‘Aardebanden’ (1922), ‘Weideweelde’ (1923) en ‘Rijshout en Rozen’ (1924).

In 1925 verscheen ‘Het Wassende Water’, waarschijnlijk zijn meest bekende boek, dat zich rond Oudewater afspeelt en waarin de hoeve ‘Watersnood’ (in het boek geplaatst in Willeskop maar in werkelijkheid staat de boerderij in Hoenkoop) een grote rol speelt. Deze roman is als televisieserie verfilmd.

Zelf vond Herman de Man ‘De barre winter van ‘90’ zijn beste boek.

Kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was Herman de Man naar Frankrijk vertrokken om daar aan een nieuwe roman te schrijven. Toen de oorlog uitbrak, wist hij te ontkomen naar Engeland. Zijn vrouw en kinderen werden naar een concentratiekamp afgevoerd. Slechts twee kinderen overleefden de oorlog.

Herman de Man kwam in 1946 om het leven bij een vliegtuigongeluk. Volgens zijn eigen wens werd hij op de Katholieke Begraafplaats van Oudewater begraven.

Literatuur:

Gé Vaartjes, Herman de Man. Een biografie. Soesterberg, 1999.

 

Venster 43       1926 Stichting van het ziekenhuis

In 1926 werd aan de Kapellestraat het St. Jacob ziekenhuis gebouwd op initiatief van pater Jacob Gilissen. De verzorging van de zieken was toevertrouwd aan de nonnen van de congregatie van de Kleine Zusters van St. Jozef.

Oudewater had op dat moment al internationaal een naam opgebouwd in de gezondheidszorg dankzij de dokters Van Praag. Hendrik Pieter van Praag (1827-1915) was de zoon van de Oudewaterse arts Isaac Salomon van Praag. De familie was joods. Hendrik Pieter vestigde zich in 1849 na zijn studie in Leiden als arts in Oudewater. Met zijn vrouw Rosa Leonide van Praag (1829-1907) kreeg hij negen kinderen. Eén dochter, Jacoba Maria Everharda, staat in het bevolkingsregister genoteerd als ‘apothekersbediende’. Dokter Van Praag had dus zelf een apotheek in zijn woonhuis, Korte Havenstraat 12. Daar ontwikkelde hij, waarschijnlijk samen met zijn dochter, zijn beroemde medicijnen tegen gal- en nierstenen. Hij was hiervoor werkelijk wereldberoemd. Mensen die in de Verenigde Staten van zijn medicijnen hadden gehoord en niet meer wisten dan dat deze arts in Nederland woonde, stuurden brieven gericht aan ‘Dr. van Praag Holland’ en deze brieven kwamen aan in Oudewater. De medicijnen die hij ontwikkelde, zijn tot ver in de twintigste eeuw voorgeschreven. Dokter Van Praag was tot het laatst actief. In een artikel in het weekblad ‘De Prins’ van 12 juni 1915 wordt gememoreerd dat hij kort tevoren de dag vierde dat hij 66 jaar geleden zijn praktijk in Oudewater begon. Op 25 november van dat jaar overleed hij. Zijn zoon Hendrik Pieter van Praag jr. (1860-1948) was de laatste arts van deze familie in Oudewater.

Voor een betrekkelijk kleine gemeente als Oudewater was het St. Jacob ziekenhuis een belangrijke faciliteit. In de jaren ’60 werd achter het oude St. Jacob ziekenhuis een nieuw beddenhuis gebouwd. In het oude deel waren nu de operatiekamers en de keuken, in het nieuwe deel het laboratorium, de polikliniek, een kinderafdeling, een kraamafdeling en de overige ziekenzalen.

In 1976 waren er problemen bij het invullen van vacatures voor specialisten. Geprobeerd werd om samen te werken met het Hofpoortziekenhuis in Woerden. Het St. Jacob ziekenhuis had in dat jaar 83 bedden. Ondanks alle pogingen om het St. Jacob ziekenhuis te laten voortbestaan, moest het ziekenhuis in 1976 sluiten.

 

Venster 44       1929 Eerste vrouwelijke gemeenteraadslid

Theodora Catharina (‘Dora’) van Rhijn werd op 19 april 1883 geboren te Schiedam als dochter van Jacobus van Rhijn en Maartje van den Berg. Zij huwde op 1 september 1926 met de Oudewaterse apotheker George Lodewijk Ritman. Het echtpaar woonde in het huis Leeuweringerstraat 13, naast de apotheek. In 1929 werd Theodora Catharina Ritman-van Rhijn gekozen als lid van de gemeenteraad van Oudewater voor de partij Gemeentebelang.

Bij haar installatie, op 9 augustus 1929, brachten burgemeester en wethouders een voorstel tot schorsing van mevrouw Ritman in wegens overtreding van artikel 24 van de Gemeentewet. De heer Ritman was apotheker en leverde medicijnen voor de zieken van het armbestuur, op kosten van de gemeente Oudewater. Mevrouw Ritman voerde aan dat zij geen invloed had op de medicijnenleveranties van haar echtgenoot. De zaak werd voorgebracht bij Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, die de bezwaren van tafel veegden. Op 11 oktober 1929 werd mevrouw Ritman alsnog geïnstalleerd. Uit de notulen blijkt dat zij wel het nodige leedvermaak had over de poging van haar mederaadsleden haar buiten de raad te houden: ‘Spreekster kan in verband met de omstandigheden waaronder hare intrede in den Raad heeft plaats gevonden, niet nalaten op te merken dat in dezen tien mannen het hebben moeten afleggen tegen één vrouw.’

Mevrouw Ritman nam geen blad voor de mond en toonde als gemeenteraadslid een zeer praktische insteek. Een cursus Esperanto leek haar zonde van het geld, maar een cursus van de maatschappij van landbouw vond zij voor Oudewater zeer belangrijk. Zij maakte zich sterk voor de openbaarheid van de raadsvergaderingen, ook voor de jeugd. In diverse vergaderingen stelde zij de aansluiting op het gas-, waterleiding- en electriciteitsnet aan de orde: niet alleen voor inwoners van de bebouwde kom, maar ook voor de huizen buiten de binnenstad en in de boerenbuurten rondom de stad. Toen de lokale School met den Bijbel in oktober 1930 een verzoek indiende voor subsidie voor een verbouwing en de bouw van een gymnastieklokaal, legde zij een uitermate vernieuwend plan op tafel: de bouw van één modern gymnastieklokaal dat door alle scholen in Oudewater gebruikt kon worden en de aanstelling van één bevoegd gymnastiekdocent die de kinderen van alle scholen les zou geven in dit vak. De burgemeester was direct gewonnen voor het plan, maar hoewel het met de schoolbesturen besproken werd, kwam het nooit van de grond. Uit haar bijdragen blijkt haar contact met de bevolking: de grote toeloop van marskramers die soms onhebbelijk optreden, het ‘s nachts wegvallen van de druk op de waterleiding, de slechte naam die de ambtenaren bij de burgerij hebben, het feit dat ze precies wist welke huizen nog niet op de nutsvoorzieningen waren aangesloten.

Op 19 maart 1930 werd mevrouw Ritman benoemd tot lid van de commissie voor het trambedrijf, met een absolute meerderheid van stemmen. Op 16 oktober 1930 werd zij benoemd tot lid van de commissie voor publieke werken.

Mevrouw Ritman stelde zich aanvankelijk niet beschikbaar voor een tweede periode als raadslid: op 27 augustus 1931 nam zij afscheid van de raad. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1935 stond zij echter weer op de lijst van Gemeentebelang en werd zij opnieuw als raadslid gekozen. Op 4 juli 1935 overleed George Ritman te Utrecht, na een kort ziekbed. Dit moet de reden zijn geweest dat mevrouw Ritman in de zomer van 1935 haar benoeming als gemeenteraadslid niet aannam.

 

Venster 45       1938  start restauratie waag

Oudewater was al in het begin van de twintigste eeuw actief voor het behoud van de monumenten in de stad. In 1910 werd de Remonstrantse Broederschap benaderd voor restauratie van het Arminiushuis. In 1916 kreeg C. van Eijk subsidie voor de restauratie van zijn monumentale kaaspakhuis Donkere Gaard 3. Mevrouw Putman mocht het huis ‘De Ark’ verbouwen zolang zij de gevel in oude staat herstelde. In 1923 werd een verordening op de monumenten aangenomen en in 1924 ging de Monumentencommissie van start. Maar geen enkele restauratie vergde zoveel inspanning als die van het Waaggebouw. Van 1925 tot 1938 werd geprobeerd de Waag terug te brengen naar de originele vorm met een trapgevel. Pas in 1938 ging de restauratie van start.

In het begin van de 20ste eeuw werd de kaasmarkt verplaatst naar het Gasplein. Daar verrees dan ook in 1929 een nieuw waaggebouwtje op de plek van de vroegere herberg 'Het Bonte Paard'. Het was kenne­lijk aanlei­ding om de mogelijkheden van het oude Waagge­bouw eens nader te bekijken. Was het geen ge­schikt pand voor een oud­heid­kamer? En hoe verhield die tuitge­vel zich tot de trap­gevel met sierlijsten en kruisvensters zoals die zichtbaar is op de prent uit 1745? Inmiddels was niet meer bekend dat de trapgevel in 1779 was gewijzigd in een tuitgevel en er waren dan ook bedenkingen over de waarheidsgetrouwe weergave van de prent uit 1745.

In 1925 werd de gevel ontdaan van bepleistering. De ontlastingsbogen van de verdwenen kruisboogvensters werden zichtbaar, net als de sierlijsten en de onderste treden van de trapgevel. Niettemin bleef het Rijksbureau voor Monumentenzorg een subsidie voor restauratie van de trapgevel weigeren. In 1937 kwam de nieuwe directeur van Monumentenzorg, de architect E.A. Canneman naar Oudewater. Bij het zien van de ontpleisterde gevel was hij overtuigd en nog datzelfde jaar maakte hij de eerste tekeningen voor de restauratie.

De Waag werd een museum. In eerste instantie was het vooral een oudheidkamer, hoewel de rol als ‘Heksenwaag’ vanaf het begin benadrukt werd. Al in 1938 werd het eerste certificaat uitgeschreven.

Andere panden en bouwwerken die werden gerestaureerd, waren de huizen Donkere Gaard 4, Markt oostzijde 14, Havenstraat 4, de St. Michaëlskerk en de Heulbrug.

 

Venster 46       1940-1945 Tweede Wereldoorlog

Op 10 mei 1940 werden de inwoners van Oudewater opgeschrikt door vliegtuigen en afweergeschut. De oorlog was begonnen. Het eerste slachtoffer was Gerof Six, die met een groep autobezittende Oudewaternaren op weg was om de inwoners van het dorpje Zoelen in de Betuwe te evacueren. Toen hij over de Lekbrug bij Vianen reed, werd de brug gebombardeerd en hij werd dodelijk getroffen door een scherf. Het was 13 mei, Tweede Pinksterdag. Op diezelfde dag werden enkele huizen aan de Goudse Straatweg getroffen door bommen uit vliegtuigen die boven Oudewater in een luchtgevecht verwikkeld waren. Hierbij vielen geen doden. Inmiddels kwamen er steeds meer vluchtelingen. Op 14 mei was vanuit Oudewater de enorme rookwolk boven Rotterdam te zien. Op 15 mei was de overgave en op 16 mei trokken de bezetters Oudewater binnen.

Majoor Eichhorn kwam met een groep manschappen om de inkwartiering voorbereiden van een grotere troepenmacht. Oudewater zat op dat moment vol met ca. 2000 vluchtelingen en na een gesprek met burgemeester Van Doorninck werd het merendeel van de soldaten ondergebracht bij boeren in de omgeving van Oudewater. Hotel De Roos werd gevorderd voor de officieren. Later werd het huis Goudse Straatweg 29 gevorderd.

Vanaf augustus 1941 werd de gemeenteraad afgeschaft. De burgemeester kreeg alle verantwoordelijkheid en de wethouders bleven aan als adviseurs. Burgemeester Van Doorninck raakte al snel in de problemen omdat hij proces-verbaal liet opmaken tegen een filmvoorstelling waarvoor geen vergunning was aangevraagd. Het ging om een propagandafilm van de NSB. Op 13 februari 1943 werd hij formeel ontslagen. Zijn opvolger was Zweitse de Vries uit Rotterdam. Hij werd per 18 juli 1943 benoemd tot burgemeester van Oudewater, Hekendorp, Papekop en Lange Ruige Weide. In de laatste drie gemeentes was tot die tijd L.C. Brinkman burgemeester geweest. De wethouders bleven in functie en het gemeentepersoneel ging net als voor die tijd door met clandestiene acties met persoonsbewijzen en stamkaarten voor de distributie.

In de nacht van 9 op 10 april 1943 stortte een Engelse bommenwerper neer aan de noordzijde van de Lange Linschoten. Het toestel, een viermotorige Lancaster genaamd ‘Barbara-Mary’, kwam terug van een bombardement op Duisburg en werd door Duitse jachttoestellen aangevallen. De zeven bemanningsleden kwamen allen om het leven. Zij werden begraven op de Nederlands Hervormde begraafplaats in Oudewater. Op 26 juni 1943 stortte een vliegtuig neer in de Hekendorpse Buurt, bij nr. 65. Drie bemanningsleden kwamen om het leven, zij werden in Utrecht begraven. De piloot en de navigator hebben zich met hun parachute in veiligheid gebracht.

In het begin van de twintigste eeuw woonden diverse Joodse families in Oudewater. De meeste families waren in 1940 al uit Oudewater vertrokken. Velen van hen stierven in de concentratiekampen. Alleen de familie Vos woonde nog in Oudewater. Emanuel Vos, zijn vrouw en hun pleegdochter Sara werden in september 1942 opgepakt. Zij stierven op 26 oktober 1942 in Oswiecim in Polen.

In 1943 werd een afdeling van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers in Oudewater georganiseerd. Hierin was o.a. gemeentesecretaris Den Boer actief. Den Boer was ook informant voor de spionagegroep-Albrecht die via een zender in Hoenkoop informatie doorgaf aan de geallieerden. Daarnaast was hier een KnokPloeg actief, die gekleed in Duitse uniformen koeien vorderde en bij opslagplaatsen van het Duitse leger levensmiddelen ophaalde.

Naar één oorlogsslachtoffer is een weg in Oudewater vernoemd: Johan Vierbergen. Hij werkte als douane bij Bergeyk en hielp mee bij het smokkelen van neergehaalde geallieerde piloten via Frankrijk en Spanje naar Engeland. In januari 1944 ging hij met twee Engelse piloten mee om zich aan te sluiten bij de Nederlandse Strijdkrachten in Engeland. Hij werd op 11 februari 1944 in Bruchsal doodgeschoten.

Op 5 mei was de oorlog formeel ten einde. In en rond Oudewater was dit nog een onrustige dag. In een gevecht met Duitse soldaten langs de Waardsedijk stierven Hein Dionisius, Henry Story, Dirk Hogendoorn en Peet van den Ende.

 

Venster 47       1948 Eerste wijken buiten de vestingstad

Na de sloop van de vestingwerken werden de eerste huizen op de vestingwerken en in het vroegere schootsveld van de stad gebouwd. Er werd gebouwd aan de Lange Burchwal, waardoor deze straat al snel belangrijker werd dan de Wijngaardstraat. In 1921-1922 werd het ‘Rode Dorp’ aan de Lange Burchwal gebouwd naar ontwerp van de architect Jan Wils. Op de Molenwal en langs de Molenstraat werden huizen gebouwd. Ook langs de Westsingel en de Brede Dijk, in die tijd aangeduid als de ‘Stationsweg’, verrezen woonhuizen. Na de Tweede Wereldoorlog groeide de woningnood. In 1948 begon de bouw van een complex huizen langs de Oudesingel en de (verlengde) Biezenpoortstraat.

Al snel na de Tweede Wereldoorlog werd duidelijk dat Oudewater haar inwoners huisvesting moest bieden. De eerste uitbreidingen in 1948 vonden plaats op de oude vestingwerken gebouwd: Biezenpoortstraat en Oude Singel. Voorafgaand aan de bouw werd het bolwerk bij de Biezentoren opgegraven, waarbij de middeleeuwse Biezentoren aan het licht kwam. In 1953 werd een tweede fase van de nieuwbouw ingezet. In eerste instantie was gepland geheel langs de oude Biezenwal te bouwen, de huidige Van Veenendaalstraat en Plesmanplantsoen. Bij het Plesmanplantsoen bleken nog zware resten van de middeleeuwse stadsmuur in de grond te zitten. Om die reden werd dit bouwblok verschoven naar de Oudesingel. In 1945 had Oudewater 3533 inwoners. In 1960, nadat de eerste nieuwbouw voltooid was, waren dat er 4095.

In de landelijke gemeente Hoenkoop werd in 1954 begonnen met de bouw van een woonwijkje. Eén van de eerste straten was de Everard van Weedeweg, de tegenwoordige Burgemeester Zielhuisstraat. In de periode 1963-1968 werd op grotere schaal gebouwd. De bewoners van deze huizen waren aangewezen op de voorzieningen van Oudewater. In 1970 werd de gemeente Hoenkoop als zelfstandige gemeente opgeheven en bij Oudewater gevoegd.

In 1957 werden langs de Brede Dijk enkele huizenblokken met huurwoningen gebouwd. In de jaren ’60 verrees een woonwijk achter de Brede Dijk. In 1965 werd het wijkje met de namen van het koningshuis gebouwd. De gebouwde huizen waren zowel huurwoningen als koopwoningen. De huurwoningen waren eigendom van de gemeente Oudewater en werden vooral toegewezen aan inwoners van Oudewater of mensen die hier vanwege hun werk kwamen wonen. Een belangrijk deel van de koopwoningen werd gekocht door ‘import’, mensen die vanuit de grote steden kwamen en zich nu als forenzen in Oudewater vestigden. In 1969 telde Oudewater 4466 inwoners, in 1970 – met de voormalige gemeente Hoenkoop erbij – 6870 inwoners.

In deze zelfde tijd werd ook in Hekendorp het eerste deel van een nieuwbouwwijk aangelegd. In 1984 zou het tweede deel van deze wijk volgen.

Aan het eind van de jaren ’60 werd duidelijk dat er meer vraag was naar huizen. Inmiddels waren de eerder gebouwde huurhuizen door de gemeente overgedragen aan de in 1967 opgerichte woningbouwvereniging. Papenhoef werd in 1968 aangekocht c.q. onteigend. Op dat moment was het merendeel van Papenhoef in gebruik als volkstuinen.

Op dit gebied ontstond in de jaren ’70 de wijk Klein Hekendorp, een voor die jaren zo typerende ‘bloemkoolwijk’ met kronkelende straten en aparte fietsroutes. In deze wijk werd voor het eerst al bij de aanleg rekening gehouden met een hoog percentage autobezitters. In 1980 telde Oudewater 7091 inwoners. Tot de gemeentelijke herindeling, die per 1 januari 1989 inging, bleef dat aantal ongeveer gelijk.

Literatuur:

25 jaar Woningbouwvereniging Oudewater. Oudewater, 1992

Bert van den Hoogen, Rode Dorp Oudewater. Oudewater, 2003


Venster 48       1965  700 jaar stad

Na de schok van 1957, toen het even leek alsof er halsoverkop feesten moesten worden georganiseerd voor 700 jaar stadsrechten, was Oudewater in 1965 goed voorbereid. Er was in 1964 een stichting opgericht met de naam ‘Oudewater 700 jaar stad’. Voorzitter was de heer B.E.G.C. Arke, vicevoorzitter L. Blonk, secretaris G.A. de Jong, penningmeester J.J. Overbeek. Bestuursleden waren de dames N.H. Arends-Spriel, J.M. Kamermans-van Dommelen en G.C. van den Wijngaard en de heren H. Dijns, A.H.A.J. Schoonderwoerd en J.J. van Vliet. Als adviseur werd de heer Enkelaar uit Hilversum aangetrokken. In oktober 1964 besloten B&W dat de heer P.G. Knol namens de gemeente de secretaris zou gaan assisteren en hij werd daarvoor vrijgesteld van zijn normale werkzaamheden; in januari 1965 zou hij het secretariaat volledig overnemen. Het hoogtepunt van de viering was de feestweek die begon op vrijdag 3 september 1965. Het merendeel van de bevolking van Oudewater liep in historisch kostuum rond. Oudewater was verlicht en er was van alles georganiseerd. Zo was op een kleine expositie o.a. het model van de olieslagerij van Verloop te zien. Het wel en wee van dit model zou uiteindelijk in 1988 leiden tot de oprichting van de Geschiedkundige Vereniging.

Oudewater had in de twintigste eeuw een aardige traditie op het gebied van feesten en exposities opgebouwd. Op 14 en 15 september 1898 werd naar aanleiding van de inhuldiging van koningin Wilhelmina een historische optocht gehouden met als thema de intocht van stadhouder Willem III in Oudewater op 11 augustus 1672. De jaarlijkse koninginnedagen werden gevierd met optochten, vuurwerk en ballonvaarten. In jubileumjaren werden zelfs historische optochten georganiseerd met thema’s als Jacoba van Beieren, Filips de Schone en Karel V.

Ter gelegenheid van het feestjaar 1965 en tevens om fondsen te werven, schreef oud-gemeentesecretaris A.W. den Boer een boek over de geschiedenis van Oudewater. De geschiedenis eindigde wel bij de aanvang van de negentiende eeuw: vanaf 1811 was er nog geen archief toegankelijk gemaakt. Johan Schouten voegde hier een beschrijving van de monumenten en een hoofdstuk over de heksenvervolging aan toe.

Het Stichtingsbestuur was in 1964 druk met de organisatie en het activeren van diverse bevolkingsgroepen. De buurtverenigingen werden gevraagd om te zorgen voor feestverlichting in alle delen van de stad. Eén van de meest actieve buurtverenigingen was die van de Lange Burchwal, die al in 1964 bezig was met het organiseren van een show van historische kleding. Uiteindelijk zou op 21 en 28 september 1964 in het Thalia Theater al een gecombineerde modeshow worden gehouden. In het bestuur zou mevrouw Kamermans zich speciaal met de historische kleding bezighouden, gesteund door het echtpaar Brouwer van de buurtvereniging Lange Burchwal. Op 30 april 1965 liepen 56 inwoners van Oudewater in historisch kostuum mee in het defilé voor Soestdijk. Koningin Juliana kreeg twee poppen in historisch kostuum aangeboden plus uitleg over de kleding.

Toen eenmaal bekend werd dat er een feest zou komen, kwamen van alle kanten aanbiedingen. De secretaris had er een dagtaak aan om brieven te beantwoorden, verzoeken af of toe te wijzen en contracten te bespreken. Bestuurslid Schoonderwoerd regelde veel van de lokale afspraken zoals de parkeerplaatsen buiten het centrum en het gebruik van de nieuwe garage van de VAGU als feesthal.

De feestweek van 1965 liep van vrijdag 3 september tot en met zaterdag 11 september. Het merendeel van de inwoners van Oudewater was uiteindelijk gekleed in middeleeuws kostuum. Er was een echte feesthal, de gloednieuwe en nog ongebruikte garage van busonderneming VAGU. Een hoogtepunt van de week was de verkiezing van ‘Miss 1965’, voor de dame met het mooiste historische kostuum, met als tegenhanger voor de heren de ‘baarden- en snorrenwedstrijd’ met in de jury de directeur van de Amsterdamse Kappersvakschool.

Eén van de gasten in de feestweek was Joop Doderer, die als ‘Swiebertje’ regelmatig voor televisieopnames in Oudewater was en het stadje goed kende. Elke wijkvereniging had een bijdrage geleverd met bijvoorbeeld feestelijke verlichting of een kleurig uitgelichte fontein.

 

Venster 49       1988 Gemeentelijke herindeling

In 1988 werden de gemeentes Snelrewaard en Willeskop opgedeeld tussen Montfoort en Oudewater. Ook Hekendorp en Papekop, vanaf 1964 deel van de gemeente Driebruggen, werden delen van de gemeente Oudewater. De nieuwe gemeentelijke herindeling ging in op 1 januari 1989. Daarmee kwam een einde aan een periode van jarenlange onzekerheid over de gemeentelijke herindeling. Deze onzekerheid was de reden voor het vertrek van burgemeester J. Smit van Oudewater naar Losser. In zijn plaats werd mr. J.A. Oosterhoff benoemd tot waarnemend burgemeester, een benoeming die per 1 januari 1989 werd omgezet in een benoeming tot burgemeester van de nieuwe gemeente Oudewater.

Nederland ging in 1815 van start met tal van uiterst kleine en dunbevolkte gemeentes. De inwoneraantallen van 1795 geven een beeld van de gemeentes binnen de grenzen van de huidige gemeente Oudewater: Oudewater, 1605 inwoners, Hekendorp, 256 inwoners, Hoenkoop, 147 inwoners, Dijkveld en Rateles, 68 inwoners, Broek en Papekop, 194 inwoners. De later opgedeelde gemeentes Snelrewaard en Willeskop hadden respectievelijk 307 en 297 inwoners. In 1818 vond de eerste gemeentelijke herindeling binnen het gebied van de huidige gemeente Oudewater plaats. In dat jaar werd de gemeente Dijkveld en Rateles bij de gemeente Hoenkoop gevoegd. In Dijkveld, ook bekend als de ‘Vuylbuurt’, was vanouds een blekerij die klanten had in Oudewater. Verder waren hier bedrijfjes die die hun klantenkring op het platteland hadden, zoals rietdekkerijen. Het inwoneraantal van Hoenkoop steeg door de samenvoeging: in 1830 bedroeg het aantal inwoners 337.

Hoenkoop was voor veel voorzieningen afhankelijk van Oudewater. In 1970 werden Hoenkoop en Oudewater samengevoegd. Oudewater hoort sindsdien bij de provincie Utrecht.

Hekendorp werd in 1989 onderdeel van de gemeente Oudewater. De gemeente Hekendorp was in 1964 opgegaan in de gemeente Driebruggen. De polder Klein-Hekendorp ging grotendeels over naar de gemeente Oudewater. Vanaf 1857 maakte de gemeente Oukoop deel uit van de gemeente Hekendorp. Bij de herindeling van 1989 kwam Oukoop niet met de rest van de gemeente Hekendorp naar Oudewater, maar werd bij de gemeente Reeuwijk gevoegd.

Papekop hoorde tot 1820 bij de provincie Utrecht. In 1820 werd deze gemeente bij Zuid-Holland gevoegd. De secretarie van de gemeenten Hekendorp en Papekop en Diemerbroek was gevestigd in Oudewater. In 1964 werd de gemeente Papekop en Diemerbroek opgeheven en bij de gemeente Driebruggen gevoegd. In 1989 werd ook Papekop bij de gemeente Oudewater gevoegd.

De gemeenten Willeskop en Snelrewaard werden in 1989 opgedeeld tussen Montfoort en Oudewater. Met name in Willeskop werd in de jaren voor 1989 fel geprotesteerd tegen de opheffing van de gemeente.

 

Venster 50       2013 Het oudste familiebedrijf verkocht

Vanaf ca. 1545 tot 2013 was de touwslagerij Van der Lee onafgebroken in bezit van de familie Van der Lee. Het voortbestaan van het bedrijf was voor de familie altijd van groot belang. Dit blijkt uit de manier waarop de familie samenwerkte en waarop geld en onroerend goed aan familieleden werd nagelaten.

Al in de zestiende eeuw had de familie Van der Lee een touwslagerij. Jan Pietersz van der Lee (ca. 1540/1545-1613) nam het bedrijf rond 1574 van zijn ouders over. In de laatste jaren van zijn leven had hij een touwbaan op de West-IJsselkade. Zijn zoon Gijsbert Jansz van der Lee (?-1625) had een lijnbaan aan de Achterstraat. Zijn zoon Hendrick Gijsbertsz van der Lee (1620-1697) nam de baan van zijn vader over en breidde het bedrijf uit met nog twee lijnbanen. In de zeventiende eeuw bloeide de touwindustrie als nooit tevoren, tot het Rampjaar 1672. In dat jaar kwam de touwindustrie stil te liggen omdat de banen van de wallen werden verdreven en de baanschuren werden gebruikt om de paarden van het leger te stallen. Het bedrijf van de familie Van der Lee wist deze moeilijke periode te doorstaan. Gijsbert Hendricksz van der Lee (1645-1694) werd in 1674 benoemd tot één van de hoofdlieden van de lijndraaiers van de Achterstraat. Hij overleed jong en in eerste instantie zette zijn oudste zoon Adriaen het bedrijf voort, onder voogdij van een oom en de notaris. Zeker vanaf 1697 werkte hij in compagnie met zijn broers en zusters. Na het overlijden van Adriaen in 1714 was het zijn jongste broer Jan die het familiebedrijf voortzette. Jan Gijsbertsz van der Lee (1684-1728) was in 1710 getrouwd met lijndraaiersdochter Janetta Houmes. Hij verkocht de baan van zijn vader aan de Achterstraat en verplaatste het bedrijf naar de Biezenwal, naar de baanschuur die zijn vrouw van haar ouders had geërfd. De zaken liepen moeizaam. Niet alle klanten betaalden en Jan leende geld van zijn zuster. Na zijn overlijden zette Janetta Houmes het bedrijf voort. Zij werkte in eerste instantie samen met een compagnon, maar die probeerde haar op te lichten. Haar oudste zoon Gijsbert deed de boekhouding en bleef dat ook doen toen zijn broers het bedrijf voortzetten. Arij (1721-1766) en Geerlof (1718-1789) hadden elk een eigen bedrijf maar werkten wel met hun broer Gijsbert samen. Gijsbert hielp bij het financieren van hun bedrijfspanden. Na het overlijden van Arij nam Gijsbert diens bedrijfspanden over en verkocht die later voor een veel lagere prijs aan de zoon van Arij, Cornelis van der Lee (1753-1826). Cornelis zou het bedrijf voortzetten met als centraal bedrijfspand de baanschuur ‘De Ark’, die zijn vader in 1754 had aangekocht. Samen met de weduwe van zijn oom Gijsbert zette hij een handelscompagnie op. Gijsbert had zijn onroerend goed aan de familie Van der Lee nagelaten. Cornelis erfde zo ook het land in Klein-Hekendorp waarop later de fabriek zou worden gebouwd. Onder zijn zoon Adrianus van der Lee (1787-1856) breidde het bedrijf zich uit over de hele Biezenwal, van de schuur op de Schutterstoren tot de schuur op de hoek van de Biezenwal en de Biezenstraat met een totaal van zes baanschuren. Het was het grootste touwslagersbedrijf van Oudewater. De volgende generatie, Gijsbert van der Lee (1819-1903) besloot over te gaan op stoomenergie. Omdat een stoommachine zo dicht bij de bebouwde kom niet was toegestaan, werd in de polder Klein-Hekendorp een overdekte baan gebouwd met een stoommachine voor de aandrijving. De baanschuren langs de Biezenwal bleven nog in gebruik voor spinnen en hekelen. Pas met de ingebruikneming van de fabrieksgebouwen aan het einde van de baan, werd het spinnen overgenomen door machines. Deze veranderingen kregen hun beslag onder Adrianus van der Lee (1854-1920). De Touwfabriek was inmiddels één van de grootste werkgevers van Oudewater. In 1936 kocht Gijsbert van der Lee (1883-1966) zijn broers en zusters uit om de fabriek door de moeilijke jaren van de crisis te loodsen. Het was een moeilijke beslissing: Gijsbert had zelfs overwogen om een geheel nieuw bedrijf te starten op IJsselveere. Onder leiding van zijn zoon Berend Willem van der Lee (1923-1983) werd een nieuwe fabriekshal gebouwd. In deze periode werden synthetische vezels de belangrijkste grondstof bij de productie. In 2013 besloot de familie Van der Lee de Touwfabriek te verkopen aan de Hendrik Veder Group omdat op deze manier het voortbestaan van het bedrijf gewaarborgd was.

 

 

Literatuur:

Nettie Stoppelenburg, Van touwslagers naar touwfabriek: de familie Van der Lee. In: Jaarboek Oud-Utrecht 2014