Venster 1        800-1000 Het begin van Oudewater

Oudewater ontstond op de oeverwal van de Hollandsche IJssel en het oude water, de oude loop van de Hollandsche IJssel die we nu de Lange Linschoten noemen. In deze bocht was een schiereiland ontstaan dat van drie kanten een natuurlijke bescherming bood. De nederzetting lag in het grensgebied van Utrecht en Holland. Het is mogelijk dat de aanwezigheid van ijzerhoudend – rood – zand ook een rol heeft gespeeld bij de keuze voor deze plaats. De straatnaam ‘Rodezand’ kan daarop wijzen.

Vanaf 690 trok Willibrord als zendeling door de Lage Landen. Zijn opvolger Bonifatius had een zendingspost in Woerden. Eén van de zendelingen heeft ook Oudewater bezocht. In deze tijd moet een kerkje van hout en leem met een rieten dak zijn gebouwd. In de elfde eeuw was Oudewater welvarend genoeg om een tufstenen kerkje te kunnen bouwen.

Het oudste archiefstuk waarin Oudewater wordt genoemd, is een akte van het Utrechtse kapittel van Oud-munster uit 1239. Lodewijk, proost van Oudmunster, stond aan zijn kapittel de tiende te Oudewater af, die vroeger door ridder Rothard uten Ham van de proosdij in leen was gehouden. Deze tiende was nu door het kapittel was gekocht en werd, zo blijkt uit een akte uit 1240, ingezet bij de administratie van de prebenden van de kanunniken. Oudewater was in deze tijd een nederzetting waar geld te verdienen viel. 

Literatuur: 

Dr. P.A. Henderikx, De beneden-delta van Rijn en Maas. Landschap en bewoning van de Romeinse tijd tot ca 1000. Hollandse Studiën 19. Hilversum, 1987. 

W.A. van Wijngaarden, Hervormde Kerk – Oudewater. Oudewater, 1967


Venster 2        1265 Stadsrechten

In 1265 kreeg Oudewater stadsrechten van bisschop Hendrik van Vianden(?-1265). De originele akte is verloren gegaan, mogelijk in 1575, mogelijk al eerder. De oudste vermelding van de stadsrechten is te vinden in de kroniek van Joannes de Beka et Wilhelmus Heda, die in 1643 werd uitgegeven op naam van Arnout van Buchell. De tekst staat op pagina 216 onder een akte met het jaar ‘Anno domini MCC sexagesimo quinto’ (1265) en de datum ‘feria secunda post translationem Sancti Martini’. De translatio van de relieken van de heilige Martinus was op 4 juli. ‘Feria secunda’ betekent maandag. Het dus om de maandag na 4 juli en in 1265 – dat met een donderdag begon – viel dat op 6 juli.

Stadsrechten behelsden in principe het recht om verdedigingswerken rond de nederzetting aan te leggen en het marktrecht. Het recht om een markt te houden was van groot belang: dit trok handelaren en kopers uit de wijde omgeving aan en zorgde zo voor veel inkomsten. De verdedigingswerken zullen in eerste instantie hebben bestaan uit een aarden wal.

In 1281 stond de Utrechtse bisschop Oudewater, net als Muiden, Diemen, Woerden en Bodegraven, tijdelijk af aan de Hollandse graaf Floris V, als onderpand voor een lening. Maar omdat de Utrechtse bisschop in 1296 gelegenheid gaf aan de edelen om Floris te ontvoeren, werd deze overeenkomst vervallen verklaard: Oudewater hoorde voortaan bij Holland. De eerste decennia onder de graven van Holland waren voor Oudewater een periode van grote bloei. In 1293 was er voor het eerst sprake van een Lombardenhuis. In 1310 blijkt er een tol in Oudewater te zijn, als de bisschop van Utrecht de abdis van Rijnsburg tolvrijheid in Oudewater verleent. In 1321 kreeg Oudewater 200 pond van graaf Willem III om stadsmuren te bouwen. In 1322 gaf graaf Willem III een aantal privileges aan Oudewater, waaronder de bepaling dat de burgers van Woerden hun goederen eerst op de markt in Oudewater moesten aanbieden. Bovendien bevestigde hij het stadsbestuur nog eens: Oudewater had een schout, twee burgemeesters en zeven schepenen. 

Literatuur:

C.A. van Kalveen, ‘Hendrik van Vianden’, in: H.L. Leeuwenberg e.a. (red.), Biografiën tussen Lek en Hollandsche IJssel.


Venster 3        1326 Kloosters

In 1326 is er voor het eerst sprake van een Sint Janshuis in Oudewater, een vestiging van de Johannieter Orde. De Commanderij van Oudewater was ondergeschikt aan de vestiging in Utrecht, die uit de twaalfde eeuw dateerde. De Oudewaterse commanderij van de Sint Jansheren was gevestigd in de huidige Kapellestraat en de kapel van de commanderij lag juist tegenover de huidige St. Jansstraat. Graaf Willem III schonk in 1326 aan de broeders van het Sint Janshuis een hofstede naast hun kapel om als kerkhof te gebruiken. De kapel van de commanderij, gewijd aan Catharina van Alexandrië, was in ieder geval in 1370 de plaats van de onderhandelingen tussen de afgevaardigden van de stad Utrecht en van de grafelijkheid van Holland. Waarschijnlijk vonden deze ‘dagvaarten’ ook in andere jaren onderdak in de commanderij.

In 1399 kwam een groep vrome vrouwen vanuit Schoonhoven naar Oudewater. Zij leefden als ‘zusters des gemenen levens’, een stroming die voortkwam uit de Moderne Devotie. De vrouwen betrokken in eerste instantie in een huis in het straatje dat bekend is als het ‘Heilig Leven’. In 1412 kocht de latere priorin, Clementia Gillisdochter, een huis in de Kapellestraat van ridder Jan van Vliet. In dat jaar werden de nonnen genoemd als ‘zusters van Sint Agnes’. In 1422 kozen de nonnen Ursula als de patrones voor hun klooster en de nieuwe kapel. Deze groep nonnen vertrok in 1428 om politieke redenen. Een nieuwe groep betrok het klooster. Zij leefden volgens de Derde Regel van Sint Franciscus. In 1575, toen Oudewater door het Spaanse leger was ingenomen, vertrokken de nonnen naar Utrecht. In 1576 keerden zij terug. De vrouwen die nog als non wilden leven, mochten in het Ursulaconvent wonen. De Ursulakapel was zeker tot 1607 als kapel in gebruik.

In 1419 wordt in een opsomming van vestingwerken de muur bij het gasthuis aan de Lange Burchwal genoemd. Dit gasthuis was begonnen onder auspiciën van de Augustijner orde. In 1525 verklaarden de ‘devote en religiose personen susteren der Ordenen van Sint Augustijn der cloesteren van Sinte Anna gelegen binnen Oudewater’ dat zij zich wilden aansluiten bij het generaal kapittel van de Cellebroeders. De Augustijner nonnen werden Cellezusters. De burgemeesters van Oudewater lieten in 1527 een akte opmaken over de inrichting van een gasthuis voor onder andere pestlijders die verzorgd zullen worden door de Cellezusters. De naam Sint Annaklooster komt na 1525 niet meer voor: de aansluiting bij het kapittel van de Cellebroeders was aanleiding voor een nieuwe naam, het Elisabeth-gasthuis.

Naast deze drie kloostergemeenschappen is er in 1317 een vermelding van een commanderij van Sint Lazarus te Oudewater. Het zou hierbij kunnen gaan om een gasthuis voor melaatsen, dat later buiten de Broeckerpoort wordt gesitueerd. 

Literatuur:

ir. W. Annema, ‘Het St. Ursulaconvent en haar kapel te Oudewater’ in: Heemtijdinghen, jaargang 20, september 1984

Dr.K. Goudriaan, ‘Het eerste vrouwenklooster van Oudewater’, in: Heemtijdinghen, jaargang 35, nr. 1, maart 1999

Nettie Stoppelenburg, Het gasthuis van Oudewater, in: Jaarboek Oud-Utrecht 2012

 

Venster 4        1349 bisschop Jan van Arkel neemt de stad in

In 1345 sneuvelde graaf Willem IV bij Stavoren. Hij had geen zonen en zijn zuster, keizerin Margaretha, claimde het graafschap Holland. Zij voelde zich al snel gedwongen het gezag over te dragen aan haar tweede zoon, Willem V, maar kwam daar al even snel weer op terug. De Utrechtse bisschop Jan van Arkel (1342-1364) greep de kansen die de wat moeizame machtswisseling in Holland hem boden met beide handen aan. Hij probeerde zijn westgrens te versterken als offensief tegen de opdringende macht van Holland. Ook wilde hij de vaarroutes naar Utrecht veilig stellen.

In 1347 probeerde graaf Willem V de bisschop te verzoenen met heer Arnoud van IJsselstein. Dit vond plaats in Oudewater. Maar bisschop Jan bleef vechten. Oudewater was hem een doorn in het oog omdat Utrecht uitgesloten was van de markt in Oudewater. Utrechtse kooplieden mochten hun waren niet aanbieden in deze enige stad in het land van Woerden. Op 26 maart 1349 viel hij, geholpen door de burgers van Utrecht, Oudewater aan. Hij nam de stad in na drie bestormingen, stak de huizen in brand, doodde veel burgers maar nam ook veel mensen gevangen. Bij de bestorming sneuvelden nogal wat vooraanstaande Utrechtse burgers, zoals de gebroeders Van Lichtenberch.

Zolang de onrust voortduurde, deed de bisschop nieuwe aanslagen op Holland. Hij veroverde IJsselstein en Montfoort en sloot een verdrag met de heer van Vianen. In 1356 werd vrede gesloten, maar zo’n tien jaar later laaide de onrust weer op. In 1374 werd Oudewater opnieuw aangevallen. Uiteindelijk werd in 1375 definitief vrede gesloten. 

Literatuur:

D.E.H. de Boer en E.H.P. Cordfunke, Graven van Holland, portretten in woord en beeld 880-1580. Zutphen 1995

Ronald de Graaf, Oorlog om Holland 1000-1375. Hilversum, 1996

De Tielse kroniek. Een geschiedenis van de Lage Landen van de Volksverhuizingen tot het midden van de vijftiende eeuw, met een vervolg over de jaren 1552-1566. Ingeleid en vertaald door Jan Kuys, Leontien de Leeuw, Valentijn Paquay en Remi van Schaík. Amsterdam, 1983


Venster 5        1355 de Wiericke en Goejanverwellesluis

In de elfde en twaalfde eeuw waren langs de rivieren dijken aangelegd. Rond Oudewater werden polders ontgonnen. Willeskop en Papekop zijn in de elfde eeuw ontgonnen. Hoenkoop wordt in 1122 voor het eerst genoemd. ‘Lindescote’, Snelrewaard en Diemerbroek werden in de twaalfde eeuw ontgonnen. Lange Weide en Ruige Weide zijn pas na 1250 ontgonnen. Dit zijn allemaal ‘cope’-ontginningen. Een ‘cope’ is een ontginningscontract met de landsheer waarin hij een afgepaald stuk wildernis aan een groep ontginners vrijgeeft. Veel ontginningen, zoals Willeskop en Hoenkoop, dragen nog de naam van de voorman van de ontginners.

In de twaalfde en dertiende eeuw waren er veel problemen met overstromingen en dijkdoorbraken. Zo was er in 1280 een dijkdoorbraak van de Hollandsche IJssel. In 1289 gaf Herman van Woerden toestemming aan de ingezetenen van Diemerbroek om door het land van de priester van Oudewater – de Papenhoef – de Kerkwetering te graven om het overtollige water te lozen op de Hollandsche IJssel in plaats van op de Rijn.

In deze tijd moet ook het Groot-Waterschap Woerden zijn opgericht. In 1322 werd het bestuur van dit waterschap formeel geregeld. Het gebied van het Groot-Waterschap lag zowel in Holland als in het Sticht. Het criterium was, dat de polders afwaterden op de Rijn. De taken van het Grootwaterschap waren het onderhouden van weteringen en rivieren om de waterstroom de verbeteren en het onderhoud van dijken en sluizen.

In 1366 vond een belangrijke wijziging in de afwatering plaats: er werd nu meer geloosd op de Hollandsche IJssel. Daarvoor werd de Lange Linschoten uitgediept en verbreed. In Oudewater werd een nieuwe sluis gebouwd. De Korte Linschoten werd gegraven. De Enkele en de Dubbele Wiericke werden gegraven. Beide afwateringskanalen waren voorzien van een sluis. De sluis van de Enkele Wiericke heeft geen naam en ligt bij de boerderij Wierixoord. De sluis van de Dubbele Wiericke, een kanaal dat ook voor de handel van belang was, werd bekend als ‘Goejanverwellesluis’ en kwam rond 1370 gereed. Nu de Hollandse IJssel belangrijker werd voor de afwatering, was ook het uitdiepen van deze rivier een aandachtspunt. Pas in de zestiende eeuw zou de Oude Rijn weer belangrijker worden voor de afwatering.

In de vijftiende eeuw werden de eerste molens gebouwd. De molens van Keulevaart behoorden tot de oudste windwatermolens die in de omgeving van Oudewater werden gebouwd. 

Literatuur:

A. Bicker Caarten, Middeleeuwse watermolens in Hollands polderland. 1407/08 – rondom 1500. Wormerveer, 1990

Prof C. Dekker, (ed.), Geschiedenis van de provincie Utrecht. Utrecht, 1997

Jan van Es, Grenswater. Geschiedenis van het Groot-Waterschap van Woerden 1226-1995. Utrecht, 2009

 

Venster 6        1405 de rijke middeleeuwse stad

In  1405 kreeg Oudewater windrecht en het recht om een eigen molen te bouwen van graaf Willem IV. Die molen werd later bekend als de Biezenmolen en stond op de stadswal, waar nu het Lèfébureplein is. De burgers van Oudewater hoefden nu niet meer aan de graaf te betalen voor het ‘gebruik van de wind’. Het windrecht was de aanzet voor een eeuw waarin Oudewater tot grote bloei zou komen.

Wat voor de economie van Oudewater belangrijk was, waren de markten en dagvaarten. Hoe meer mensen er naar Oudewater kwamen, hoe meer geld er hier werd uitgegeven. Regionale producten werden eerst op de markt van Oudewater aangeboden. Er was vanaf 1413 een jaarlijkse paardenmarkt. Er was een bank – in 1404 werd ene Laurens genoemd als ‘Lombard’ te Oudewater. Vanaf 1394 mocht de baljuw van Rijnland zich in Oudewater vestigen. Regelmatig – bijna jaarlijks – waren er dagvaarten naar Oudewater: graaf en bisschop plus hun gevolg kwamen dan naar de stad om geschillen uit te praten en bij te leggen.

In de vijftiende eeuw werd in Oudewater een compleet nieuwe Sint Michaëlskerk gebouwd, een hallenkerk in de Gotische bouwstijl. Het materiaal was baksteen, maar de tufsteen van de Ottoonse kerk uit de elfde eeuw werd op diverse plaatsen hergebruikt, met name aan de zuidzijde van de kerk. De Sint Michaëlskerk bezat minstens 10 altaren. In 1329 stichtte Dideryk Kiel het Sint Catharijne altaar. In 1480 wordt het Heilige Geestaltaar genoemd dat zich bevond aan de zuidzijde van de kerk. In 1550 worden in het archief van de Kalendenbroederschap het Sacramentsaltaar, het Heilig Kruisaltaar en het Sint Jobsaltaar genoemd. In 1568 worden in het archief van het Utrechtse Domkapittel de altaren van Sint Anna en Sint Cornelis genoemd. Andere altaren waren het Sint Jacobsaltaar, het altaar van Onze Lieve Vrouwe en het altaar van Johannes de Doper. Eén van de kunstenaars die aan de kerk werkte, was de schilder Jan David. Zijn zoon Gerard David, rond 1460 in Oudewater geboren, zou later één van de vooraanstaande kunstenaars van Brugge worden. 

Literatuur

A.C. van Aelst, Schets der Staatkundige en Kerkelijke Geschiedenis en van den Maatschappelijke Toestand der Stad Oudewater tot hare inneming en gedeeltelijke verwoesting in 1575. Gouda, 1893

F. Lammertse en J. Giltaij (red.), cat. tentoonstelling Vroege Hollanders, schilderkunst van de Late Middeleeuwen. Rotterdam, Boymans van Beuningen, 2008

Hans J. van Miegroet, Gerard David. Antwerpen, 1989

 

Venster 7        1425 Hoeken en Kabeljauwen

In 1417 stierf graaf Willem VI. Zijn enige erfgenaam was zijn dochter Jacoba. Willem had veel privileges aan Oudewater gegeven en in ruil daarvoor had de stad hem in 1416 beloofd Jacoba als landsvrouwe te erkennen. Jacoba’s claim werd aangevochten, in de eerste plaats door haar oom, Jan van Beieren. Deze elect-bisschop van Luik deed prompt afstand van zijn positie voor een kans op het graafschap en werd in 1418 door de Duitse keizer beleend met de graafschappen van Jacoba.

Eén van de hofdames van Jacoba was de echtgenote van Jan van Vliet, kasteelheer van Vliet bij Oudewater. Hij wist gif aan de hoeken van het gebedenboek van Jan van Beieren te smeren. Jan van Beieren had de gewoonte aan zijn vingers te likken voor hij de pagina’s omsloeg en dat werd hem fataal. Jan van Beieren zou in 1425 sterven. Hij had Filips de Goede, de zoon van Jacoba’s tante Margaretha, tot erfgenaam benoemd. Jan van Vliet werd als moordenaar gevierendeeld. Mogelijk werd het kasteel in de polder Vliet toen al gedeeltelijk verwoest als vergelding voor de misdaad van de kasteelheer.

Na haar huwelijk met Jan van Brabant en het volgende huwelijk met Humphrey van Gloucester werd Jacoba gevangen genomen en opgesloten in het Gravensteen van Gent. Verkleed als man wist zij te ontsnappen en vluchtte naar Schoonhoven. Drie steden waren haar nog steeds trouw: Schoonhoven, Gouda en Oudewater. In de jaren 1424-1428 was de Krimpenerwaard haar uitvalsbasis. In 1425 reisde zij van Vianen naar Gouda, via Oudewater. ‘Ende vandaer toech si in der stede van Oudewater, dair sij van horen vrienden doe eerlic ende guetlic ontfangen wert als hoir lantsvrouwe ende gehult van der gemeenre stede.’ Jacoba’s verzet was tevergeefs en op 3 juli 1428 tekende zij de ‘Zoen van Delft’. In de tekst worden Schoonhoven, Gouda en Oudewater genoemd met de toezegging dat Filips deze steden hun steun aan Jacoba niet zou aanrekenen.

Oudewater lag in deze jaren opnieuw in de gevarenzone. Niet voor niets werd er gewerkt aan verbeteringen van de vestingwerken. Oudewater was omgeven door een muur met weergangen die op regelmatige plaatsen versterkt was met torens. Toegang over land kon alleen via de poorten. Toegang over water ging via de waterpoorten naast de IJsselpoort en de Linschoterpoort. In 1419 werd een lijst van werkzaamheden aan deze vestingwerken opgesteld waarin de poorten en waltorens in een rondgang over de stadsmuren worden opgesomd. 

Literatuur:

M.J. van Gent, ‘Vijftien mannen achter Jacoba van Beieren’, in: Holland, 1997

Antheun Janse , Een pion voor een dame. Jacoba van Beieren (1401-1436). Amsterdam, 2009.

Els Kloek (ed.), 1001 vrouwen uit de Nederlandse geschiedenis. Nijmegen, 2013 

 

Venster 8        1460 De overgang van lakenindustrie naar touwindustrie

De lakenindustrie was in de middeleeuwen erg belangrijk voor Oudewater. Laken is een wollen stof die eeuwenlang in de Nederlanden veel gedragen werd.  In 1407 is er sprak van een ‘ordonnantie van de draperyen’, regelgeving dus voor de vervaardiging van laken. In 1460 werd een ‘wanthuis’ of lakenhal in de Kapellestraat genoemd. Ook in de kloosters werd wol verwerkt. In 1452 vaardigde hertog Philips de Goede een ordonnantie uit waarin de nonnen werd verboden wol te weven voor de verkoop. Voor eigen gebruik mochten zij wel wol weven en bovendien mochten zij ook linnen weven en verkopen. Na 1500 was de lakenindustrie voor Oudewater geen grote bron van inkomsten meer: dit blijkt uit de ‘Informacie’ van 1514. In andere kleinere steden, zoals Schoonhoven, Muiden en Alkmaar, gebeurde hetzelfde; alleen de grotere industriesteden, zoals Leiden en Haarlem, overleefden. Toch waren er in de zeventiende eeuw nog betrekkelijk veel lakenhandelaren en lakenbewerkers in Oudewater.

Inmiddels was er een verandering gaande die Oudewater in de zestiende eeuw veel welvaart zou brengen. In de polders rond Oudewater werd in de middeleeuwen graan verbouwd. Met dit graan werden de burgers in de steden gevoed: hoe meer graan, hoe meer mensen er in de steden konden wonen. Maar de bodem ging inklinken. Het land werd te drassig voor akkerbouw. Er werden boezems aange­legd om het water beter af te kunnen voeren naar de rivieren. Na verloop van tijd werd de natuur­lijke afwate­ring van de boezems onmogelijk. Er werden molens gebouwd om het waterpeil op een aanvaardbaar niveau te houden. Maar inmiddels was de meeste grond toch niet meer geschikt voor akkerbouw, niet alleen door het vocht maar ook omdat de grond was uitgeput door onvoldoende bemesting. Dat betekende geen graan en dus geen voedsel voor de burgers in de steden. De boeren begonnen met de teelt van vezelhennep, een gewas dat veel vocht kan verdragen. De vezelhennep werd in de steden verwerkt tot touw en zeildoek voor de schepen die in de Oostzee graan gingen halen. Ook veeteelt werd belangrijker. De mest van de koeien werd vooral gebruikt voor de bemesting van de hennepakkers.

In alle polders rond Oudewater werd op grote schaal hennep verbouwd. In het archief van de heerlijkheid Hoenkoop zijn de leggers van de henneptienden uit 1532 bewaard. Uit deze gegevens en ook uit latere leggers blijkt dat aan de kop van alle onbebouwde percelen langs de weg een hennepakker lag. In 1532 waren er 132 hennepakkers in Hoenkoop en 27 boerderijen. Voor Oudewater had de hennepteelt grote gevolgen. De touwindustrie werd het belangrijkste onderdeel van de economie en de stad vaarde daar wel bij. In 1565 schreef Hadrianus Junius over Oudewater: ‘Veel ingezetenen zijn gefortuneerd. Deze stad kan wel één grote werkplaats heten voor het vervaardigen van het henneptouw, dat zeer gezocht is voor haringnetten. Dat is dan ook nagenoeg de enige bron van hun rijke inkomsten.’ 

Literatuur

Nico de Glas (inl, vert. en ann.), Holland is een eiland. De Batavia van Hadrianus Junius (1511-1575). Hilversum, 2011

Herman Kaptein, De Hollandse textielnijverheid 1350-1600. Conjunctuur en continuïteit. Hilversum, 1998

Nettie Stoppelenburg, ‘De hennepwerven van Lopik’, in: Tijdschrift Oud-Utrecht,  juni 2001

 

Venster 9        1507 Een Gelders leger probeert Oudewater in te nemen

Het aantreden van Karel de Stoute in 1467 betekende voor de steden in zijn rijk een hoge belastingdruk vanwege de oorlog met Frankrijk en een schending van de privileges van zelfbestuur. Hertog Karel verkocht ambten aan de meestbiedenden en zo kwamen in veel steden – waaronder ook Oudewater - de Hoeken weer aan de macht. Door de belastingdruk ontstond hongersnood. In Holland en aan de grens tussen Holland en Utrecht speelden de laatste stuiptrekkingen van de Hoekse en Kabeljauwse twisten in de vorm van rooftochten van de Hoekse adel. In 1482 ondernam de heer van Montfoort een rooftocht in het Hollandse die tot aan Dordrecht voerde. Op de terugweg raakten de rovers bij Oudewater slaags met ruiters uit die stad waarbij aan beide zijden doden vielen. Als wraakneming voor een veeroof waarbij doden waren gevallen, deden ruiters uit Oudewater vervolgens een aanval op de kerk in Lopik, tijdens de mis. Twee Lopikers werden gedood, 33 werden gevangen genomen. Nog in datzelfde jaar, op de avond voor Allerheiligen,  roofden 38 mannen uit Montfoort bij Oudewater paarden en koeien en namen ongeveer 30 boeren gevangen. Ruiters uit Oudewater achtervolgden de rovers en wisten 12 van hen te doden. De rest vluchtte naar Linschoten en verschanste zich in de kerk. De Oudewaterse ruiters staken de kerk in brand en doodden iedereen die eruit kwam.

Na de dood van hertog Arnold had Karel de Stoute in 1473 Gelderland bezet. De Geldersen kwamen al snel in opstand. In 1492, na de dood van Karel de Stoute, werd Karel van Gelre, de erfgenaam van de laatste Gelderse hertog, gehuldigd. Maximiliaan van Oostenrijk wist in de jaren die volgden delen van Gelderland weer onder zijn beheer te brengen, maar in 1506 herleefde de Gelderse oorlog, toen Gelre steun kreeg van Frankrijk. In 1507 en 1508 trok een Gelders leger plunderend door Holland en Brabant. De Geldersen stonden in 1507 voor de poort van Oudewater. Zij kwamen niet binnen.

Oudewater was in deze tijd goed beschermd door haar stadsmuren en poorten. In 1490 hadden de Staten van Holland op instructie van Maximiliaan van Oostenrijk de Linschoterpoort uitgebreid tot een ‘kasteel’. De burgers van Oudewater konden zich verdedigen: er was een Sint Jorisgilde met zo’n 80 tot 90 boogschutters die waarschijnlijk ook in 1482 hadden meegevochten. Hertog Filips de Schone gaf in 1501 aan de voetboogschutters van het  Sint Jorisgilde van Oudewater een octrooi waarop zij jaarlijks 25 schilden (munt, ook bekend als écu) uitbetaald zouden krijgen. De reden hiervoor was dat de leden van het Sint Jorisgilde door diverse oorlogen veel lasten en kosten hadden geleden. 

Literatuur:

J.W.J. Burgers, ‘De steden van Holland in oorlog (1506-1515)’, in: Historisch Tijdschrift Holland, 2009

Louis Sicking, ‘De integratie van Holland. Politiek en bestuur in de Bourgondisch-Habsburgse tijd’, in:Thimo de Nijs en Eelco Beukers (red), Geschiedenis van Holland. Deel 1. Hilversum, 2002


Venster 10       1537 Heksenvervolging

Hoewel het geloof in heksen al heel oud is, zijn de eerste meldingen van beschuldigingen van heksen pas te vinden in bronnen uit de veertiende eeuw. De eerste processen volgden snel. In de stad Utrecht was in 1417 het eerste heksenproces gevoerd. Vroedvrouw Ysoye werd beschuldigd van toverij en voor vijftig jaar uit de stad Utrecht verbannen. Vroedvrouwen werden steeds kritischer bekeken: zij leidden elkaar op en wisten veel van kruiden. Dat was verdacht in de ogen van de artsen, die hun opleiding aan een echte universiteit hadden gekregen. Pas in de zestiende eeuw werden van hekserij beschuldigde personen ter dood gebracht. In 1520 was de eerste heksenverbranding in Utrecht. Daar werd in 1533 ook Neel Reyers als heks verbrand. Zij was ongeveer 64 jaar tevoren geboren in Oudewater. Neel werd gemarteld en bekende dat zij al 36 jaar kon toveren en dat zij dat van de duivel had geleerd in ruil voor haar lijf en haar ziel.

In februari 1537 werd Fije, de vrouw van heemraad Cornelis Louwensz. uit Hoenkoop voor het Hof van Utrecht gebracht. Zij werd beschuldigd van hekserij en legde een bekentenis af. Ze had vier jaar geleden in het veld de duivel aangeroepen en hij was in de gedaante van een zwarte man bij haar gekomen. Daarna kwam hij soms 's nachts bij haar in bed, terwijl haar man naast haar lag te slapen. Eén keer had hij haar meegenomen in het veld en haar een langwerpig doosje gegeven. In dat doosje zat een zwart mannetje met hoorntjes op zijn hoofd. Het bewoog als zij er naar keek. Verder zat er een spiegeltje in, waar zij de duivel kon zien als zij iets wilde doen of wilde dat hij iets voor haar deed. Toen zij in Lopik gevangen had gezeten, had hij haar het doosje nog eens gebracht maar het ook weer teruggenomen. Fije toverde met behulp van een zwart poeder, dat zij van de duivel had gekregen. Zo had zij Aechgen, de vrouw van Henrick Gerrits, betoverd omdat die haar van toverij had beschuldigd. Ze had ook tien of elf koeien van Cornelis Symons betoverd. Het zoontje van Aris Cornelisz., Gijsbertgen, had ze betoverd omdat zijn moeder weigerde om de belasting aan de heemraad te betalen. Ze had de koeien van Airnt Willems betoverd met haar zwarte poeder. Ook de koeien van haar halfbroer Cornelis Henricx had zij betoverd omdat hij 200 schilden meer uit hun vaders erfenis had gekregen dan zij, maar ze had die koeien later gezegend zodat ze weer gezond werden. Er werd Fije gevraagd, waarom ze dit nooit aan de pastoor had gebiecht. Fije antwoordde, dat de duivel haar dat verboden had. Tijdens de mis mocht ze ook nooit naar de hostie kijken, maar recht voor zich uit op de grond anders kneep de duivel haar bont en blauw. Fije werd levend verbrand. Cornelis Louwensz. staat genoemd in de legger van de henneptienden uit 1532: hij had 8 hond en 15 roeden aan hennepland. Cornelis en Fije woonden mogelijk in het huidige Hof van Honcoop of in een boerderij daarnaast.

De geschiedenis van de Heksenwaag begint in de eerste helft van de zestiende eeuw, toen keizer Karel V door de Lopi­kerwaard reisde. Toen hij Polsbroek passeerde, werd daar een vrouw gewogen. Iemand die niets woog, kon op een bezemsteel vliegen en moest dus een heks zijn. De keizer constateerde dat de weeg­schaal met een spijker werd tegengehouden, zodat het leek alsof de vrouw gewichtloos was. Hij nam haar mee naar de volgende plaats waar een waag was: Oudewater. De burgers van Oudewater waren geslepen handelslieden, die wisten dat eerlijkheid het langst duurt. De vrouw uit Polsbroek was geen heks. De keizer beloonde de eer­lijkheid met een privilege om mannen en vrouwen die van hekserij beschuldigd worden, te wegen in de Stadswaag en onschuldigen te voorzien van een certificaat dat hen vrijwaarde van vervolging. In de tijd van Karel V was op deze plaats niet alleen de stadswaag, maar ook het stadhuis gevestigd. Op de kaart van Jacob van Deventer staat bij deze plaats: ‘civitas domus’. Het privilege van Karel V is er niet meer: een hard bewijs voor het verhaal is er dus niet. Maar het bezoek bleef in herinnering, al was het maar doordat de herbergier naast de waag zijn herberg ‘De Keizer’ noemde. 

Literatuur:

Willem de Blécourt en Marijke Gijswijt-Hofstra (red.), Kwade mensen. Toverij in Nederland. Amsterdam, 1986

Robin Briggs, Heksenwaan. De sociale en culturele geschiedenis van hekserij in Europa. Kampen, 2000;

M. Gijswijt-Hofstra en W. Frijhoff (red.), Nederland betoverd: toverij en hekserij van de veertiende tot in de twintigste eeuw. Amsterdam, 1987

Monika Triest en Lou Gils, Met de duivel naar bed. Heksen in de Lage Landen. Leuven, 2002

Hans de Waardt, Toverij en samenleving. Holland 1500-1800. Hollandse Historische Reeks 15. 1991

 

Venster 11       1566 De nieuwe godsdienst

Vanaf de veertiende eeuw werd gezocht naar nieuwe wegen binnen de katholieke kerk. In de zestiende eeuw kwam het tot een splitsing. Als startpunt wordt het jaar 1517 gezien, toen Maarten Luther zijn 95 stellingen over machtsmisbruik binnen de katholieke kerk aan de deur van de kerk in Wittenberg ophing. Een belangrijk punt voor de aanhangers van deze reformatie was dat iedere gelovige zelf de Bijbel zou kunnen lezen en bestuderen. De Nederlandse Geloofsbelijdenis werd in 1561 door Guido de Bres opgesteld. Hoewel keizer Karel V, de landsheer van de Nederlanden, met alle macht probeerde de ‘ketterij’ van deze ‘protestanten’ te onderdrukken, kreeg de nieuwe leer steeds meer volgelingen. Ook in Oudewater.

In 1566 werd de pastoor van Oudewater protestant. Hij is bekend als Theodorus Aemilius, een verlatijnste vorm van Dirck Amelsz. van Rijswijck. Heer Dirck de oudste zoon van de Oudewaterse schepen Amelger Henricksz. van Rijswijck en Catharina van Royen van Schadenbroeck. Hij was een volle neef van Rudolf Snellius van Rooyen.

Heer Dirck legde zijn functie als pastoor van Oudewater neer en vertrok, eerst naar Parijs, Leuven en Keulen maar later naar Utrecht waar hij in 1574 stierf. Het stadsbestuur was in ieder geval pro forma nog katholiek. Er was bovendien een Spaans garnizoen in Oudewater en het was nog te vroeg voor een formele ommezwaai. Die kwam pas in 1572. Het Spaanse garnizoen was in dat jaar vertrokken. Op 1 april namen de Watergeuzen Den Briel in. De Oudewaterse broers Claes en Jan Pietersz van der Lee hadden zich bij de Watergeuzen aangesloten en waren daarbij aanwezig. Met jonkheer Adriaan van Swieten kwam Jan Pietersz van der Lee naar Oudewater en zij overtuigden het stadsbestuur om zich aan te sluiten bij de opstand.

De eerste predikant was Hugo Dircksz, voorheen priester in Groot-Ammers. Het was allemaal nog niet zo georganiseerd als later: er was geen kerkenraad en de dominee ontving geen salaris. Hugo vertrok in 1575 naar Gouda. Nog in mei van datzelfde jaar was er een nieuwe dominee in Oudewater, Johannes Jansz Gelasius. Hij was eerder priester in Nieuw-Lekkerland geweest. Johannes Jansz was in Oudewater tijdens de ‘Oudewaterse Moord’. Hij werd door een non aangewezen als de predikant en vervolgens gevangen genomen. Zijn zoontje werd voor zijn ogen gedood en zelf werd hij opgehangen aan een galg op het Markveld buiten de stad.

Dat het stadsbestuur zich in 1572 aansloot bij de opstand en een predikant benoemde, betekende niet dat de St. Michaëlskerk vanaf dat moment exclusief voor de nieuwe godsdienst werd gebruikt. Er was geen beeldenstorm geweest in Oudewater. Tijdens het beleg in 1575 hielden de inwoners van Oudewater een spotprocessie over de muren met misgewaden en altaargerei uit de St. Michaëlskerk. Dat dit allemaal nog aanwezig was, wijst erop dat de kerk tussen 1572 – het jaar van de reformatie in Oudewater – en 1575 zowel door katholieken als protestanten werd gebruikt. 

Literatuur:

Nico Plomp, ‘Drie eeuwen Van der Heede’s in het oosten van Holland’, in: Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, 1985

 

Venster 12       1572     Oudewater bezoekt de Eerste Vrije Statenvergadering

Oudewater was in 1572 de eerste stad in Holland die zich aansloot bij de opstand. Op 19 juli was een vertegenwoordiging van Oudewater aanwezig bij de Eerste Vrije Statenvergadering die werd gehouden in Dordrecht. Op deze vergadering, die duurde tot 23 juli en later werd voortgezet in Rotterdam en Delft, verklaarden de steden Dordrecht, Haarlem, Leiden, Gouda, Rotterdam, Gorcum, Alkmaar, Oudewater, Hoorn en Delft dat zij zich wensten te stellen onder het bestuur van de Prins van Oranje.

Tot 1572 waren slechts zes steden stemhebbend geweest in de Staten van Holland: Dordrecht, Delft, Haarlem, Leiden, Amsterdam en Gouda. De andere steden werden alleen opgeroepen als er zaken besproken werden die hen betroffen. Met het uitbreken van de opstand in 1572 werden de Staten uitgebreid. In juli 1572 werd Oudewater vertegenwoordigd door burgemeester Cornelis Willemsz de Lange en schout en herbergier Job Pietersz van Cattermeer. Of Oudewater vanaf dat moment bij alle vergaderingen aanwezig was, is niet meer na te gaan. Op een vergadering in november 1574 waren in ieder geval burgemeester Willem Jacobsz en schepen Cornelis Jansz de Lange aanwezig en in het voorjaar van 1575 waren burgemeester Willem Jansz en secretaris Dirk Simonsz aanwezig. In de periode juli 1575 – december 1576 was er geen stadsbestuur in Oudewater en dus zeker geen vertegenwoordiging in de Staten. Oudewater stuurde pas in 1580 voor het eerst weer afgevaardigden naar de Staten. Een vertegenwoordiging van Oudewater was in ieder geval aanwezig bij belangrijke beslissingen, zoals het besluit van de Staten om Willem van Oranje te benoemen tot graaf van Holland. Deze beslissing kon door de moord op Oranje niet ten uitvoer gebracht worden.

Uiteindelijk zouden achttien steden in de Staten vertegenwoordigd zijn. Oudewater was daar niet bij, net als Woerden. Schoonhoven was wel vertegenwoordigd. Dit had vooral te maken met financiën. Een permanente vertegenwoordiging in de Staten was een kostbare zaak. Er moest een huis in ’s-Gravenhage beschikbaar zijn voor de afgevaardigde. Voor ruggespraak met het stadsbestuur moesten veel reiskosten gemaakt worden. Oudewater koos ervoor deze kosten niet te maken. Schoonhoven, qua grootte en inkomen vergelijkbaar met Oudewater, koos ervoor dit wel te doen. Raadspensionaris Johan de Wit, die als ambachtsheer van Hekendorp, Linschoten en Snelrewaard ook wel eens in Oudewater verbleef, wees het stadsbestuur van Oudewater tijdens een maaltijd op hun recht op een plaats in de Staten. Willem Tromper, in dat jaar burgemeester, antwoordde daarop uiterst bescheiden: ‘Indien onze macht zo groot was, als ons recht goed is, wij zouden van onze oude plaats wederom bezit kunnen nemen.’

Oudewater stuurde wel regelmatig afgevaardigden naar de Staten voor de behartiging van de belangen van de stad, maar Oudewater bemoeide zich in principe niet met landszaken. 

Literatuur:

Drs. J.W. Koopmans, ‘Drie kleine steden in de Staten’, in: Heemtijdinghen 1985

 

Venster 13       1575 De Oudewaterse Moord

In 1572 waren Jan en Claes Pietersz van der Lee uit Oudewater als watergeuzen aanwezig bij de inname van Den Briel. Jan Pietersz van der Lee kwam met jonker Adriaan van Swieten naar Oudewater om het stadsbestuur ervan te overtuigen zich aan te sluiten bij de opstand. Pas in 1575 werd het stadsbestuur gewaarschuwd voor een mogelijke belegering. Oudewater had moeilijke jaren achter de rug, met dijkdoorbraken, rondzwervende geuzen en Spaanse deserteurs en in 1574 een pestepidemie. In 1575 kon er weer hennep worden ingezaaid en er werd een goede oogst verwacht. Er was hooi om de koeien te voeden. Waarschuwingen om de juist herstelde dijken weer door te steken, werden in de wind geslagen. Nogal wat boeren woonden binnen de stadsmuren en zaten in het stadsbestuur, zoals Floris Willemsz. Er werden wat herstelwerkzaamheden uitgevoerd aan de middeleeuwse muren, maar over het algemeen was de muur zwak en de vestingwerken waren verouderd. Er was één regiment van 350 huursoldaten in de stad, maar er werd niet vanuit gegaan dat zij nodig waren om de stad te verdedigen. Jan Pietersz van der Lee commandeerde de schutterij van nog eens 350 man.

In de vroege ochtend van 19 juli 1575 werd het Spaanse leger bij toeval gesignaleerd op de Damweg. Stadsbestuur en burgers reageerden snel. Vee werd binnen de stad gehaald, gebouwen in het schootsveld van de stadsmuren werden afgebroken. Een aantal burgers probeerde de Damweg te doorgraven. De eerste dag al werd gevochten om het fort aan de Rolaf: dit kwam in Spaanse handen. Een deel van het Spaanse leger trok door Roosendaal naar Goejanverwellesluis om de schans daar aan te vallen. De bezetting van de schans vluchtte naar Gouda. Op 20 juli stuurde het stadsbestuur van Oudewater een brief naar de Prins van Oranje. De heren schepenen legden de situatie voor, verzochten om hulp en vroegen - nu het te laat was - het land onder water te zetten. Ondertussen ging het Spaanse leger door met de voorbereidingen voor een belegering. De troepen staken de IJssel over en de stad werd omsingeld. De schansgravers legden loopgraven aan. Er verrezen verdedigingswerken om een uitval af te kunnen slaan en stellingen voor het geschut werden gereed gemaakt. Dat geschut arriveerde pas later. Op 29 juli trok de artillerie door Utrecht met de stukken die bij het beleg van Buren waren gebruikt. Op 3 augustus kwam het geschut voor het eerst in actie, maar toen bleek er onvoldoende ammunitie te zijn. In Oudewater werd geloot om te bepalen wie het commando over de stad zou krijgen. Dit werd Hans Munter. Al na een paar dagen waren er problemen rond de betaling van de huursoldaten. Er kwam geen geld meer binnen in de stad en er ontstond een tekort aan contant geld. Er werden noodmunten geslagen van lood. Het stadsbestuur stond er garant voor en uiteindelijk zouden de munten weer bij hen worden ingeleverd. Zodra uit Gouda het signaal kwam, dat de boodschapper was aangekomen, hielden relschoppers een spotprocessie over de muren met beelden, kelken, kruisen en misgewaden uit de St. Michaëlskerk.

Op zaterdag 6 augustus eiste Hierges, de commandant van het Spaanse leger, de stad op. Het stadsbestuur vroeg uitstel, maar nog dezelfde dag begon de beschieting. ’s Nachts vulden de burgers de bres zo goed mogelijk op. Op zondag 7 augustus om 12.00 uur begon de bestorming. Spaanse soldaten trokken plunderend en moordend door de stad. Nog jaren later werden de verhalen verteld over individuele gevechten, moordpartijen en geslaagde ontsnappingen. Waarschijnlijk kwam een kwart tot de helft van de burgers om het leven. Niettemin woonden in 1615, 40 jaar na de Oudewaterse Moord, nog 321 overlevenden in de stad. 

Literatuur:

J.G.M. Boon (ed), Oudewater 1570-1580. Vrijheid en Gezag. Oudewater, 1975

Nettie Stoppelenburg, De Oudewaterse Moord. Oudewater, 2003


Venster 14       1588 Het nieuwe stadhuis en de opbouw van de stad

In november 1576 wisten de burgers van Oudewater hun stad weer in handen te krijgen. Het Spaanse bezettingsgarnizoen werd verdreven en de overlevenden keerden terug. Er stroomden ook veel nieuwe burgers toe, met name vanuit de zuidelijke Nederlanden. Vanaf dat moment begon de herbouw van de stad. Niet dat alles was verwoest: het Ursulaconvent, het klooster van de St. Jansheren, de St. Michaëlskerk en duurdere huizen aan de Hallebrug (tegenwoordig Marktbrug) waren het beleg vrijwel ongeschonden doorgekomen. Veel huizen hadden stenen zijmuren en houten voor- en achtergevels: in deze gevallen konden de zijmuren behouden zijn gebleven. Het stadhuis was weliswaar beschadigd, maar na enige reparaties werd er nog wel in vergaderd. Toch werd in 1588 besloten een nieuw stadhuis te bouwen.

Vanaf 1576 begon het stadsbestuur de verdedigingswerken te moderniseren met aarden wallen en de aanleg van lunetten. In 1585 werd IJsselveere bij Oudewater gevoegd en rond dit nieuwe stadsdeel werden moderne wallen aangelegd. Ook bij de Waardpoort was alles nieuw en modern. Voor de aanleg van nieuwe bolwerken aan deze zijde van de stad was zelfs een deel van het stadje, inclusief het klooster van de St. Jansheren, gesloopt en de Waardpoort was dus verplaatst. De poort werd daardoor ook wel aangeduid als ‘Nieuwpoort’. Over de Hollandse IJssel waren walbruggen aangelegd, de ‘Goudse Boom’ en de ‘Utrechtse Boom’. In 1589 moesten kleingarenbanen aan de Achterstraat ontruimd worden voor de aanleg van nieuwe wallen. Op plaatsen waar de wallen onder constructie waren, werd extra bewaking ingezet. In 1593 werd een nieuwe Linschoterpoort gebouwd, waar in 1608 de laatste hand aan werd gelegd.

In de stadsrekeningen van die jaren komt de herbouw van de openbare gebouwen, zoals stadhuis, waag, poorten en bruggen regelmatig aan de orde. Een metselaar die daarbij veel genoemd wordt, is Pieter Gerritsz  Paemburch. Pieter Gerritsz Paemburch (1544-1633) en zijn vrouw Marrichje Jacobsdr Speijert behoorden tot de vooraanstaande families in de stad. Beiden waren in Oudewater toen de stad in 1575 werd ingenomen door het Spaanse leger. Zij waren toen al getrouwd en Paemburch verrichtte al bouwwerkzaamheden voor de stad. In 1577 werd hij genoemd als schepen, in 1579 als burgemeester. In 1577 werkte hij aan een wachthuis bij de Broeckerpoort, en later verrichtte hij metselwerk aan de school. Hij was in staat om grote projecten aan te nemen: in 1590 is sprake van het bouwen van een grote werkplaats voor zijn bedrijf. In 1592 legde hij de eerste steen voor de nieuwe ‘Remeijnsbrugge’ en ook het verdere metselwerk aan de brug werd door hem –  of liever gezegd door zijn bedrijf – uitgevoerd. Op 26 februari 1588 werd het besluit genomen om het stadhuis te herbouwen. Later dat jaar wordt genoteerd dat Pieter Gerritsz  Paemburch de bestekken heeft gemaakt. Hij was in dat jaar ook burgemeester, maar dat werd kennelijk niet als bezwaar gezien. De bestekken zijn bewaard gebleven, waardoor vrij veel over de bouw bekend is. Het onderste deel van de bouw dateert van vóór 1575. Het moet tussen 1565 en 1570 zijn gebouwd: op de kaart van Van Deventer staat het stadhuis nog aangegeven op de plaats waar nu de waag staat. Onder het stadhuis is bij de restauratie na de brand van 1968 een put gevonden, wat erop wijst dat hier vroeger een open ruimte was. In de resoluties van het stadsbestuur staat genoteerd dat de zijmuur met oude steen moest worden opgemetseld en dat in de zijmuur geen lijsten van ‘hartsteen’ zullen worden aangebracht om de kosten te drukken. Uiteindelijk heeft Paemburch de gehele onderbouw van het stadhuis van oude steen gemetseld.  De nieuwe stenen zijn rode baksteen van 18 bij 9 bij 4,2 cm (Leytse steen) en zandsteen voor de sierbanden. Het formaat van de stenen komt overeen met die van de waag  en van het zgn. Arminiushuis. 

Literatuur:

Nettie Stoppelenburg, ‘Over de poorten van Oudewater’, in: Heemtijdinghen, 2015 nr. 1

C.H. van Wijngaarden en P.M. Stoppelenburg, Pieter Gerritsz Paemburch, bouwmeester van het stadhuis van Oudewater, in: Heemtijdinghen, september 2009


Venster 15       1592 Touwindustrie

In 1592 kondigden de burgemeesters, schepenen en vroedschappen van Oudewater een raadsbesluit af over de aanleg van grootgarenbanen over de wallen. Dit geeft aan hoe belangrijk de touwindustrie was voor Oudewater.

Sinds de late vijftiende eeuw was de touwindustrie steeds belangrijker geworden voor de economie van Oudewater. Er waren twee specialisaties. Op de grootgarenbanen, die minstens 220 meter lang waren, werd het garen gesponnen en getwijnd dat gebruikt zou worden voor zeeschepen. De uiteindelijke lengte van het touw moest de afstand tussen de ra’s van een schip overbruggen en daarom was er een lange baan nodig. Op de kleingarenbanen werden ‘nettengarens’ getwijnd, die niet alleen voor visnetten maar ook voor zeildoek werden gebruikt. Dit garen hoefde niet zo lang te zijn en de banen lagen vaak in achtertuinen.

Omdat de grootgarenbanen vooral op en langs de wallen werden aangelegd, werd in 1592 een ordonnantie uitgevaardigd waarin getracht werd de belangen van de lijndraaiers maar ook de veiligheid van de verdedigingswerken met elkaar te verenigen. De touwindustrie was van groot belang bij de herbouw van de stad. De Nederlanden waren in oorlog en de oorlogsschepen hadden touw en zeilen nodig. De overzeese handel breidde zich uit en ook daarvoor waren touw en zeilen nodig. Voor de tuigage van een koopvaardijschip was zo’n 25 km aan touw nodig. De klandizie voor de visnetten was groot, ook lokaal. De lijndraaiers verdienden binnen enkele jaren genoeg geld om de stad mooier dan ooit te kunnen herbouwen. Oudewater liet zich erop voorstaan dat zij alleen de beste kwaliteit garen leverden.

Op de kwaliteit van het eindproduct en op de handel was altijd controle. De keurmeesters en de waagmeester speelden daarbij een grote rol. Allereerst werd de hennep al bij de verkoop van boer of tussenhandelaar naar lijndraaier gewogen en voor dat wegen moest worden betaald. Het garen werd na het twijnen op houten schijven gewonden die waren voorzien van het merk van de fabrikant en het stadswapen. Met een letter werd de soort en de kwaliteit van het touw aangegeven. De keurmees­ter kreeg voor het inbranden van die letter een stuiver per schijf. De schijven hadden een vast gewicht, omdat anders het gewicht van het touw niet meer kon worden vastge­steld. Voordat de lijndraaier zijn product mocht verkopen, moest de schijf met touw worden gewogen en moest hij ook voor het touw "waaggeld" betalen. Per schijf garen kostte hem dat nog eens twee groten. Ook de productie van kleingarenbanen werd gecontroleerd. Dit garen werd gedeeltelijk in Oudewa­ter gebruikt voor het breien van visnetten. De afgewerkte netten moesten op het stadhuis worden gekeurd en na goedkeu­ring voorzag de stedebode ze dan van het stedelood. 

Literatuur:

Nettie Stoppelenburg, De historie van een touwtje. Oudewater, 2003


Venster 16       1596 Keur op de doorvaart door Goejanverwellesluis

De Dubbele Wiericke was ooit gegraven voor de afwatering van polderwater. Maar de Wiericke was ook een belangrijke waterweg. Vooral in de periode van de herbouw van Oudewater werden veel stenen aangevoerd van de steenbakkerijen aan de Oude Rijn. Deze zwaarbeladen schepen moesten de Goejanverwellesluis passeren. Dat dit niet altijd zonder problemen verliep, blijkt uit de keur die in 1596 werd uitgevaardigd door het Groot Waterschap Woerden. De schippers probeerden elkaar de weg te versperren door aan te leggen voor de sluis. Er werd bepaald dat bij vloed schippers vanuit de Hollandsche IJssel voorrang zouden hebben en bij eb schippers vanuit de Wiericke.

Lokale scheepvaart werd in deze tijd steeds belangrijker. Op sommige plaatsen werden kanalen gegraven voor de beurtvaart, maar rond Oudewater werd vooral gebruik gemaakt van bestaande waterwegen. De enige uitzondering was de Pijpenvliet, die in 1656 was gegraven op verzoek van de boeren in de Lopikerwaard. Er waren veerdiensten met trekschuiten vanuit Oudewater op Woerden, Gouda, Utrecht, Schoonhoven, Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Vlaardingen, Dordrecht en Leiden. Deze diensten werden minstens tweemaal per week gevaren. Zij waren zo belangrijk dat er in 1657 een uitgebreide ordonnantie werd uitgevaardigd voor de schippers van de beurtveren. En dit waren niet de enige schepen die rond Oudewater voeren. Boeren uit de omgeving hadden minstens twee schouwen voor het vervoer van vee, melk en andere producten omdat de wegen een belangrijk deel van het jaar onbegaanbaar waren. Groenten en turf werden per schip aangevoerd.

Voor de bouw en het onderhoud van deze schepen was er een scheepswerf in Oudewater. In de belastinglijst van 1561 werd al een scheepsbouwer in Oudewater genoemd. Toen IJsselveere in 1585 bij Oudewater werd gevoegd, werd daar een nieuwe scheepswerf aangelegd, bij de Goudse boom, de walbrug over de Hollandsche IJssel. Hier werden snebbeschuiten voor de binnenvaart gebouwd en pramen voor de boeren. Deze scheepswerf bleef tot ca. 1820 in bedrijf. 

Literatuur:

Nettie Stoppelenburg, ‘De oude scheepswerf van Oudewater’, in: Heemtijdinghen 2011


Venster 17       1603 Aanstelling dominee Lydius en de heen-en-weer tijd

In 1603 werd een nieuwe dominee benoemd: Johannes Lydius. Lydius was geboren in Frankfurt; zijn grootouders waren wegens hun geloof uit Deventer naar Duitsland gevlucht. De vader van Johannes was dominee geweest in Amsterdam en vervolgens hoogleraar godgeleerdheid aan de universiteit van Franeker geworden. Johannes was zeer streng in de leer en zeer gemotiveerd om zijn schaapjes bij de kudde te behouden. Hij had strikte ideeën over hoe een domineesgezin zich diende te gedragen en had om die reden al snel een aanvaring met de vrouw van zijn collega. Hij was zeer geliefd bij het volk. Maar ondanks alle inspanningen van Lydius was de helft van de inwoners van Oudewater nog katholiek.

Dat er een actieve katholieke geloofsgemeenschap was, blijkt wel uit de kerkenraadsnotulen van de gereformeerde kerk. In 1603 werd genoteerd dat de chirurgijn mr. Andries Jansz van Wassenberch al jarenlang in zijn kennissenkring trachtte gereformeerden terug te brengen tot de katholieke kerk. Het was hem onder andere gelukt bij zijn buurman, Krijn Cornelisz de kistemaker, die vervolgens in 1604 door de kerkenraad werd geëxcommuniceerd. Ondertussen was de kapel van het Ursulaconvent nog in gebruik bij de nonnen en de priesters die aan de kloosters verbonden waren geweest. Eén van deze priesters was Jan van Alerdingh.

Vanaf 1615, na het overlijden van Jan van Alerdingh, stelde de apostolisch vicaris voor Oudewater en omgeving priesters aan. Zij kregen al snel te maken met vervolging. De eerste, Aegidius of Gillis, werd in Polsbroek gevangen genomen en naar IJsselstein gebracht, waar hij korte tijd later stierf. Zijn opvolger, Thomas, zag zich genoodzaakt voor de vervolging te vluchten. De derde priester was Modestus Suijck, maar hij werd al na korte tijd aangesteld in het bestuur van het 'Hollandsche Collegie' (= priesterseminarie) in Keulen. De vierde priester was Johannes Bekom.

Het huis Marktstraat 12 was van ongeveer 1620 tot 1649 in gebruik als katholieke schuilkerk. Het pand was eigendom van de meubelmaker Krijn Cornelisz de kistemaker en later van zijn dochters Lijsbeth, Marrichje en Burchje, die hier als klopjes woonden. De grote kamer in het midden van het pand moet als kapel hebben gediend. De drie zusters zorgden voor de gewaden van de priester en voor bloemen op het altaar en zij hielden de kapel schoon. Als er een priester was om de mis op te dragen, waarschuwden zij de gelovigen met een klopteken op de deur. In de eerste jaren kwam de schout nog wel eens langs om te proberen de priester gevangen te nemen. Er waren twee geheime uitgangen: eentje in de kelder, naar nr. 10, en eentje in de zijgevel, naar de tuin van nr. 8.

Dominee Lydius overleed onverwacht in zijn slaap in 1643 en de zorg voor zijn opvolging verdrong de belangstelling voor de activiteiten van de katholieken tijdelijk naar de achtergrond. In 1643 of 1644 kwam de priester Nicolaas van Hee naar Oudewater. Hij was afkomstig uit Polsbroek en was een lid van de wijdvertakte familie Van (der) Hee(de) die in en rond Oudewater woonde. Van Hee werd door de apostolisch vicaris Rovenius benoemd en kocht in 1649 een huis. Met zijn komst was het afgelopen met de onrust rond de katholieke eredienst. 

Literatuur:

Frans C.M. Gouverneur, ‘Lydius, een geslacht van predikanten’, in: Gens Nostra, 2009, p. 283 e.v.

Nettie Stoppelenburg, De schuilkerken van Oudewater. in: Heemtijdinghen, september 2012

Ignatius Walvis, Het Goudsche Aartspriesterdom. 1712. Bezorgd en ingeleid door J.J. Hallebeek en M.F.G. Parmentier. Delft, 1999


Venster 18       1604 Het Weeshuis

In veel steden in Nederland werden in de zestiende eeuw weeshuizen gesticht. Oorlog en ziekte hadden tot gevolg dat er veel weeskinderen waren en het bestaan van bedelaars – en bedelende kinderen - werd niet meer acceptabel geacht. In 1602 besloot het stadsbestuur van Oudewater een weeshuis op te richten. Als vaste inkomsten kreeg het weeshuis de pacht van landerijen in het Land van Stein en op Dijkvelt. In 1604 vroeg het stadsbestuur aan de Staten van Holland toestemming voor het houden van een loterij ten behoeve van het weeshuis. Ook uit de kosten voor een begrafenis werd geld naar het weeshuis gesluisd. Al in 1604 woonde minstens één weeskind in het weeshuis: Cornelis Spierinck.

Het weeshuis werd gebouwd op het terrein achter het voormalige Ursulaconvent. Het was een langgerekt pand met grote kruisvensters op de begane grond. De kap over de eerste verdieping werd onderbroken door vijf geveltoppen met elk een venster. Over de indeling is weinig bekend. Er was een regentenkamer, waar diverse portretten van schenkers hingen. Er was een slaapkamer voor de meisjes en een slaapkamer voor de jongens. Het terrein rond het weeshuis werd afgesloten door een muur met een poort. De gevelsteen boven de poort, met een voorstelling van een weesvader met twee weesjongens en twee weesmeisjes, heeft de inscriptie: ‘Bedenckt de arme weesen 1613’. Net binnen de poort stond de ‘weesboom’ een grote beuk of linde waar volgens de Oudewaterse folklore de kindertjes uitkwamen.

Kinderen moesten kapitaal hebben om te worden toegelaten. Zorg en opvoeding werden in principe van hun eigen geld betaald. Kinderen jonger dan 5-6 jaar werden in principe opgenomen in het armhuis. Kinderen die ouder waren dan 14 jaar als hun ouders overleden werden geacht zelf werk en onderdak te hebben. Halfwezen waarvan de overgebleven ouder niet in staat was voor de kinderen te zorgen, werden ook in het weeshuis opgenomen. Kinderen die geen geld hadden voor het weeshuis werden in het armhuis opgevangen. Zij moesten werken en kregen geen scholing. In het weeshuis was meer zorg voor de kinderen. Oudewater was een kleine stad en alleen kinderen van burgers werden toegelaten. Waarschijnlijk woonden er nooit meer dan 20 kinderen tegelijkertijd in het weeshuis.

In 1651 werden weesvader, weesmoeder en de weeskinderen vereeuwigd op een schilderij door de schilder H. van Ommen. De weesouders waren Bartholomeus Cornelisz Blijeel en Machteltgen Hendricks van Dam. Blijeel was lijndraaier van beroep en was lid van de vroedschap. De weeskinderen zijn niet te identificeren. Vier van hen moeten kinderen zijn van Griffin Sutton en Trijntge Pietersdr.